Hoge Raad verklaart OZB-cassatieberoep niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:1450, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/04399
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Kern van de zaak
Een partij stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Hof over de waardering van onroerende zaken en aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor de jaren 2020 en 2023. De procureur-generaal kreeg de gelegenheid advies uit te brengen. De zaak betreft een geschil over de WOZ-waardering en de daarop gebaseerde belastingaanslagen.
Beslissing van de rechter
Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet RO, omdat de klachten duidelijk niet kunnen slagen. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van artikel 80a Wet RO zonder inhoudelijke beoordeling of nieuwe rechtsregels; de feitelijke en juridische impact reikt niet verder dan de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Hoge Raad past artikel 80a Wet RO toe: beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk verklaard
- 2Geschil betreft WOZ-waardering van onroerende zaken voor belastingjaren 2020 en 2023
- 3Procureur-generaal heeft advies uitgebracht voorafgaand aan de beslissing
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd
- 5Uitspraak van Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:2595) blijft daarmee in stand
Impactanalyse
Juridische impact
De toepassing van artikel 80a Wet RO bevestigt de vaste werkwijze van de Hoge Raad om kansloze cassatieberoepen in belastingzaken snel en zonder motivering af te doen. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor de eisende partij betekent dit dat de hofuitspraak over de OZB-aanslagen en WOZ-waardering onherroepelijk vaststaat en de aanslagen voor 2020 en 2023 in stand blijven.
Onderwerp-impact
In OZB- en WOZ-geschillen onderstreept deze uitspraak dat cassatieberoep bij klaarblijkelijk ongegronde klachten over feitelijke waarderingen weinig kansrijk is.
Samenvatting
Deze zaak betreft een cassatieberoep bij de Hoge Raad ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:2595) over de waardering van onroerende zaken en de daarmee samenhangende aanslagen onroerendezaakbelasting voor de belastingjaren 2020 en 2023. De geschilpunten lagen op het terrein van de WOZ-waardering, een veelvoorkomend onderwerp in het belastingrecht waarbij gemeenten onroerende zaken taxeren als grondslag voor de OZB-aanslag. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld na de procureur-generaal in de gelegenheid te hebben gesteld een advies uit te brengen. Op basis van die beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de klachten duidelijk niet konden slagen. Dit rechtvaardigt toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat de Hoge Raad de bevoegdheid geeft een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren zonder verdere motivering wanneer het beroep klaarblijkelijk kansloos is. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie dan ook zonder inhoudelijke beoordeling van de klachten niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling, zodat elk der partijen de eigen kosten draagt. Als gevolg van deze beslissing staat de hofuitspraak onherroepelijk vast en blijven de WOZ-waarderingen en OZB-aanslagen voor 2020 en 2023 in stand. De uitspraak heeft geen precedentwerking en introduceert geen nieuwe rechtsnormen; zij illustreert slechts de gebruikelijke filterfunctie van artikel 80a Wet RO waarmee de Hoge Raad zijn werklast beheert door kansloze zaken vroegtijdig te verwerpen.