Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk via art. 80a RO
ECLI:NL:HR:2026:1441, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01029
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) ging in hoger beroep tegen een uitspraak van Rechtbank Amsterdam (AMS 23/2151) en stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De exacte inhoudelijke fiscale kwestie blijkt niet uit de beschikbare tekst.
Beslissing van de rechter
Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het beroep klaarblijkelijk niet kan slagen. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard procesrechtelijke afdoening via art. 80a RO zonder inhoudelijk oordeel; zij stelt geen nieuwe rechtsregels en heeft uitsluitend gevolgen voor de directe procespartijen.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 80a RO: cassatieberoep niet-ontvankelijk zonder nadere motivering
- 2De procureur-generaal heeft advies uitgebracht voorafgaand aan de beslissing
- 3Het betreft een belastingzaak afkomstig van Rechtbank Amsterdam (AMS 23/2151) en Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2026:795)
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd
- 5Inhoudelijke fiscale kwestie is niet kenbaar uit de beschikbare tekst van het arrest
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak heeft geen zelfstandige rechtsvormende betekenis; de toepassing van art. 80a RO is een procesrechtelijke afdoeningsgrond zonder inhoudelijk oordeel over de onderliggende fiscale rechtsvraag. Het bevestigt de ruime bevoegdheid van de Hoge Raad om kansloze cassatieberoepen summier af te doen.
Praktische impact
Voor de belanghebbende betekent dit dat de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam onherroepelijk is geworden en geen heroverweging in cassatie plaatsvindt. Verdere rechtsmiddelen zijn uitgeput.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtige partijen onderstreept deze uitspraak het belang van voldoende onderbouwde cassatiemiddelen; een beroep dat klaarblijkelijk niet kan slagen wordt zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 11 september 2026 uitspraak gedaan in een belastinggeschil dat zijn oorsprong vond bij Rechtbank Amsterdam (zaaknummer AMS 23/2151) en vervolgens in hoger beroep werd behandeld door het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2026:795). De inhoudelijke fiscale rechtsvraag die aan het geschil ten grondslag lag, is op basis van de beschikbare tekst niet kenbaar. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen de hofuitspraak. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft in de procedure de gelegenheid gekregen advies uit te brengen. Na beoordeling van de cassatieklachten is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet kan slagen. Op grond daarvan heeft de Hoge Raad gebruikgemaakt van de bevoegdheid neergelegd in artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, die het mogelijk maakt een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren zonder verdere motivering wanneer dat beroep evident kansloos is. Dit is een procesrechtelijk instrument dat de Hoge Raad in staat stelt zijn werklast te beheersen door zaken die geen reële kans van slagen hebben op een versnelde en summiere wijze af te doen. Een proceskostenveroordeling is niet uitgesproken. De uitkomst betekent dat de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam onherroepelijk is geworden. De zaak heeft geen zelfstandige precedentwerking en stelt geen nieuwe rechtsregels; zij illustreert slechts de toepassing van een bekende procesrechtelijke afdoeningsmodaliteit in het belastingrecht.