Hoge Raad: buitenlandse bronbelasting onvoldoende verrekenbaar schendt EU-recht
ECLI:NL:HR:2026:1417, Hoge Raad, 04-09-2026, 23/01387
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Inkomstenbelasting; art. 15 AWR, art. 2.7, lid 1, Wet IB 2001, art. 25 en 25a Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, art. 63 VWEU, art. 14 EVRM, art. 1 EP, art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM; volgorde toepassing heffingskortingen en regeling(en) ter voorkoming van dubbele belasting leidt tot onbenutte heffingskortingen.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) stelt dat de Nederlandse regeling voor verrekening van buitenlandse bronbelasting in strijd is met het vrije verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU) en het EVRM. De buitenlandse bronbelasting kan niet volledig worden verrekend omdat de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting plaatsvindt vóór toepassing van heffingskortingen, waardoor een deel van die kortingen verloren gaat.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van belanghebbende in zoverre gegrond zijn dat de door het Hof aangevoerde rechtvaardigingsgronden niet standhouden; het argument dat zulke gevallen zelden voorkomen rechtvaardigt een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal niet. De zaak wordt verder beoordeeld op de overige rechtvaardigingsgronden.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad stelt een duidelijke norm dat zelfs zelden voorkomende belemmeringen van het vrije verkeer van kapitaal verboden zijn en niet door eenvoudsargumenten kunnen worden gerechtvaardigd; dit heeft directe gevolgen voor de Nederlandse verrekeningssystematiek in de Wet IB 2001 en raakt een brede groep grensoverschrijdend beleggende belastingplichtigen.
Belangrijkste punten
- 1Buitenlandse bronbelasting is onder de Nederlandse regeling (art. 2.7 Wet IB 2001) minder gunstig verrekenbaar dan Nederlandse dividendbelasting, wat een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU) kan opleveren.
- 2De volgorde van verrekening – eerst aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, dan pas heffingskortingen – kan ertoe leiden dat heffingskortingen effectief niet kunnen worden verzilverd.
- 3Het argument van het Hof dat dergelijke gevallen zelden voorkomen, kan een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal niet rechtvaardigen; ook sporadische belemmeringen zijn verboden.
- 4Praktische redenen (eenvoud van het systeem) vormen volgens vaste HvJ EU-jurisprudentie geen toereikende rechtvaardiging voor een EU-rechtelijke belemmering.
- 5De Hoge Raad dient ook de overige door het Hof aangedragen rechtvaardigingsgronden (dwingende redenen van algemeen belang) te beoordelen voordat cassatie al dan niet volgt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat zelfs sporadisch optredende belemmeringen van het vrije verkeer van kapitaal in strijd met art. 63 VWEU kunnen zijn, en dat praktische uitvoeringsargumenten en zeldzaamheid van de situatie geen rechtvaardiging bieden. Dit dwingt de wetgever tot herbezinning op de verrekeningsvolgorde in de Wet IB 2001.
Praktische impact
Belastingplichtigen die buitenlandse bronbelasting ontvangen op beleggingsinkomsten en door de huidige verrekeningsvolgorde heffingskortingen mislopen, kunnen mogelijk aanspraak maken op teruggaaf of aanvullende verrekening op basis van EU-recht.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening en beleggingspraktijk betekent dit dat de Nederlandse systematiek rond voorkoming van dubbele belasting bij grensoverschrijdende beleggingsopbrengsten onder druk staat en mogelijk moet worden aangepast.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure bij de Hoge Raad staat de vraag centraal of de Nederlandse regeling voor de verrekening van buitenlandse bronbelasting op beleggingsinkomsten in strijd is met het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU), het eigendomsrecht (artikel 1 EP EVRM) en het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM). De kern van het geschil is de verrekeningsvolgorde in artikel 2.7 Wet IB 2001: de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast vóór de heffingskortingen, waardoor bij onvoldoende verschuldigde inkomstenbelasting een deel van de heffingskortingen effectief verloren gaat. Bij Nederlandse dividendbelasting doet dit probleem zich niet voor omdat die – anders dan buitenlandse bronbelasting – wél kan worden uitbetaald bij een tekortschietende belastingschuld. Het Hof had het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd geacht met onder meer het argument dat zulke gevallen zelden voorkomen en dat een ander systeem ingewikkelder zou zijn. De Hoge Raad verwerpt deze rechtvaardigingsgronden. Hij oordeelt uitdrukkelijk dat ook sporadisch voorkomende belemmeringen van het vrije verkeer van kapitaal verboden zijn, en dat praktische uitvoeringsredenen volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU geen toereikende rechtvaardiging vormen voor een EU-rechtelijke belemmering. De klachten van belanghebbende zijn op deze punten gegrond. Omdat het Hof zijn beslissing echter ook zelfstandig heeft gebaseerd op dwingende redenen van algemeen belang, dient de Hoge Raad ook die rechtvaardigingsgronden te beoordelen alvorens te beslissen of cassatie volgt. De uitspraak is juridisch significant omdat zij de lat voor rechtvaardiging van kapitaalverkeerbelemmeringen hoog legt en de houdbaarheid van de huidige Nederlandse verrekeningssystematiek serieus in twijfel trekt.