Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1403, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00051
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 november 2025 in een belastingzaak. De griffier van de Hoge Raad sommeerde de belanghebbende het verschuldigde griffierecht te betalen binnen vier weken, maar betaling bleef uit. Vervolgens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom het griffierecht niet was voldaan, maar ook hierop werd niet gereageerd.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende het griffierecht niet heeft betaald en evenmin heeft gereageerd op de gelegenheid om de reden van niet-betaling toe te lichten.
Impactscore
LaagDit is een zuivere procedurele beslissing zonder inhoudelijk oordeel over de onderliggende belastingkwestie. De uitspraak bevestigt enkel vaste jurisprudentie over griffierecht en niet-ontvankelijkheid, zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende sommatie.
- 2De brief met betalingsverzoek is afgehaald op een afhaallocatie van PostNL, waarmee ontvangst is aangetoond.
- 3Op 16 maart 2026 werd via het digitale dossier én per e-mail een herstelmogelijkheid geboden.
- 4Belanghebbende heeft van de herstelmogelijkheid geen gebruik gemaakt.
- 5Geen proceskostenveroordeling, nu geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb: niet-betaling van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook indien de betrokkene de gelegenheid krijgt om de reden toe te lichten en daarvan geen gebruik maakt. De Hoge Raad past artikel 8:36c lid 2 Awb toe om fictieve ontvangst via het digitale dossier vast te stellen.
Praktische impact
Voor procespartijen benadrukt dit arrest het belang van tijdige betaling van griffierecht en actieve monitoring van het digitale dossier en bijbehorend e-mailadres, op straffe van niet-ontvankelijkheid zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Onderwerp-impact
In belastingzaken bij de Hoge Raad geldt een strikt processueel regime: verzuim van een griffierecht-betaling wordt niet hersteld indien de betrokkene nalaat te reageren op een uitdrukkelijke herstelmogelijkheid.
Samenvatting
In deze zaak werd bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 november 2025 in een belastinggeschil. De Hoge Raad kwam echter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling, omdat de zaak struikelde over een fundamentele processuele drempel: de betaling van griffierecht. Na ontvangst van het cassatieberoep stuurde de griffier van de Hoge Raad op 12 februari 2026 een aangetekende brief aan belanghebbende met de mededeling dat griffierecht verschuldigd was en dat dit binnen vier weken moest worden voldaan. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op de afhaallocatie was opgehaald, zodat ontvangst vaststond. Betaling bleef desondanks achterwege. Daarop bood de griffier op 16 maart 2026 belanghebbende via het digitale dossier én een kennisgeving per e-mail de gelegenheid om toe te lichten waarom het griffierecht niet was betaald. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb nam de Hoge Raad aan dat deze berichten op 16 maart 2026 door belanghebbende zijn ontvangen. Ook op deze herstelmogelijkheid reageerde belanghebbende niet. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie vervolgens niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Nu er geen inhoudelijke behandeling had plaatsgevonden, zag de Hoge Raad geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De uitspraak illustreert de strikte processuele regels die gelden voor cassatieberoepen: het niet betalen van griffierecht, gecombineerd met het nalaten te reageren op een expliciete herstelmogelijkheid, leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid. Procespartijen dienen hun digitale dossier en het daarvoor opgegeven e-mailadres nauwlettend in de gaten te houden om dergelijke procedurele valkuilen te vermijden.