Hoge Raad: nieuwe bezitstermijn BOR bij uitbreiding belang onderneming
ECLI:NL:HR:2026:137, Hoge Raad, 30-01-2026, 24/01608
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Schenkbelasting; artikel 35d, lid 1, letter c, SW, artikel 9(2) URSE; bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), bezitseis ten aanzien van de onderneming, vervolg op HR BNB 2023/97, bewijslastverdeling.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige beroept zich op de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen. In geschil is of na een splitsing waarbij de gerechtigdheid tot een onderneming werd uitgebreid, een nieuwe indirecte bezitstermijn van vijf jaar is gaan lopen. De zaak betreft de uitleg van artikel 35d en 35c van de Successiewet 1956.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Doorslaggevend is dat een procentuele uitbreiding van het belang in een onderneming een nieuwe indirecte bezitstermijn doet aanvangen, terwijl een inhoudelijke uitbreiding van de onderneming zelf (bij gelijkblijvend belang) geen nieuwe termijn start.
Impactscore
HoogHet arrest van de Hoge Raad schept duidelijkheid over een veelvoorkomende praktijkvraag bij bedrijfsopvolgingen en heeft directe gevolgen voor de fiscale planning bij herstructureringen; hoewel het geen volledig nieuwe rechtsregel introduceert, consolideert en verduidelijkt het bestaande jurisprudentie op een voor de praktijk belangrijk punt.
Belangrijkste punten
- 1De indirecte bezitstermijn van vijf jaar (art. 35d lid 1 sub c SW) moet per onderneming worden beoordeeld.
- 2Een procentuele uitbreiding van de gerechtigdheid tot een onderneming doet een nieuwe, eigen indirecte bezitstermijn aanvangen.
- 3Uitbreiding van de onderneming zelf terwijl het belang gelijk blijft, ook door overname van een zelfstandige onderneming, start geen nieuwe indirecte bezitstermijn.
- 4De toerekeningsregel van art. 35c lid 5 SW is relevant bij beoordeling van de indirecte bezitstermijn via deelnemingen.
- 5De Hoge Raad bevestigt de lijn uit het eerdere verwijzingsarrest (ECLI:NL:HR:2023:647) en de arresten van 29 mei 2020.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt definitief het onderscheid tussen een procentuele uitbreiding van een belang (nieuwe bezitstermijn) en een kwalitatieve uitbreiding van de onderneming zelf (geen nieuwe bezitstermijn) in het kader van de BOR. Dit vormt een belangrijke precisering van de uitleg van art. 35d SW voor toekomstige gevallen.
Praktische impact
Ondernemers en hun adviseurs moeten bij herstructureringen en splitsingen nauwkeurig in kaart brengen of een vennootschap haar procentuele belang in een onderneming vergroot, omdat dit een nieuwe vijfjaarstermijn voor de BOR triggert en de vrijstelling bij bedrijfsoverdracht kan mislopen.
Onderwerp-impact
Bij bedrijfsopvolgingen via schenking of vererving van aandelen dienen structureringswijzigingen – zoals afsplitsingen of fusies – tijdig te worden gepland om te voorkomen dat de BOR-faciliteit verloren gaat door een niet-verstreken indirecte bezitstermijn.
Samenvatting
Deze zaak draait om de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet 1956, meer specifiek om de vraag of na een juridische splitsing een nieuwe indirecte bezitstermijn van vijf jaar is aangevangen voor de vennootschap die door die splitsing indirect gerechtigd werd tot bepaalde ondernemingsactiviteiten. De BOR biedt een substantiële vrijstelling bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen, maar stelt als voorwaarde dat de schenker de aandelen minstens vijf jaar in bezit heeft gehad én dat de vennootschap minstens vijf jaar een onderneming heeft gedreven. De Hoge Raad stelt voorop dat de indirecte bezitstermijn per onderneming moet worden beoordeeld, conform het eerder gewezen verwijzingsarrest. Centraal in de uitspraak staat het onderscheid tussen twee situaties: enerzijds de procentuele uitbreiding van het belang in een bestaande onderneming, en anderzijds de inhoudelijke groei van de onderneming terwijl het procentuele belang gelijkblijft. In het eerste geval begint een nieuwe, eigen indirecte bezitstermijn te lopen voor het uitgebreide gedeelte. In het tweede geval – ook wanneer de groei plaatsvond door overname van een zelfstandige onderneming die vervolgens niet meer als zelfstandig wordt behandeld – start er geen nieuwe termijn. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de uitkomst van het hof. Het arrest sluit aan op eerdere jurisprudentie uit 2020 en 2023 en biedt de praktijk een heldere maatstaf: niet de aard of omvang van de ondernemingsactiviteiten, maar de procentuele omvang van de gerechtigdheid is bepalend voor het aanvangen van een nieuwe bezitstermijn. Voor de fiscale adviespraktijk is dit een richtinggevende verduidelijking die bij elke bedrijfsherstructurering in aanmerking moet worden genomen.