Hoge Raad verklaart te laat cassatieberoep niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:1343, Hoge Raad, 07-08-2026, 26/00420
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Het beroepschrift werd echter te laat ingediend: 16 januari 2026 in plaats van vóór 31 december 2025.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn van zes weken. De door belanghebbende aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding vormen geen grond om het verzuim verschoonbaar te achten.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige niet-ontvankelijkheidsverklaring wegens termijnoverschrijding zonder inhoudelijke rechtsvragen; de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1De uitspraak van het Hof werd op 19 november 2025 digitaal beschikbaar gesteld en belanghebbende werd elektronisch genotificeerd.
- 2De cassatietermijn van zes weken (art. 6:7 Awb) liep af op 31 december 2025; het beroepschrift werd pas op 16 januari 2026 ingediend.
- 3Belanghebbende kreeg de gelegenheid om de termijnoverschrijding te verklaren, maar slaagde daar niet in.
- 4Een eerder wrakingsverzoek door belanghebbende werd evenmin toegewezen.
- 5De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte handhaving van de cassatietermijn ex artikel 6:7 Awb en de beperkte ruimte voor verschoonbaarheid bij termijnoverschrijding in belastingzaken. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Belanghebbende verliest de mogelijkheid om de hofuitspraak door de Hoge Raad te laten toetsen en staat definitief met een onherroepelijke uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.
Onderwerp-impact
In belastingprocedures is tijdige indiening via het digitale portaal cruciaal; elektronische notificatie geldt als uitgangspunt voor de aanvang van de beroepstermijn.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 7 augustus 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een door een belastingplichtige ingesteld beroep in cassatie. Het Gerechtshof Den Haag had eerder uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHDHA:2025:3016), waartegen belanghebbende cassatie instelde. De hofuitspraak werd op 19 november 2025 digitaal gepubliceerd in het dossier en de belastingplichtige ontving hiervan een elektronisch notificatiebericht. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht geldt een beroepstermijn van zes weken, die in dit geval afliep op 31 december 2025. Belanghebbende plaatste het beroepschrift echter pas op 16 januari 2026 in het digitale portaal van de Hoge Raad, waarmee de termijn met ruim twee weken werd overschreden. De Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid de termijnoverschrijding te verklaren. In zijn portaalberichten van 11 en 19 februari 2026 voerde belanghebbende daarvoor redenen aan, maar deze werden door de Hoge Raad niet toereikend geacht om de overschrijding verschoonbaar te maken. Eerder had belanghebbende ook al een wrakingsverzoek ingediend, dat evenmin was toegewezen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in lijn met de vaste rechtspraak over de strikte handhaving van proceduretijden in het bestuursrecht en belastingrecht. Voor de praktijk onderstreept dit arrest het belang van tijdige indiening via het digitale portaal en de beperkte mogelijkheden om een termijnoverschrijding achteraf te herstellen. Inhoudelijke rechtsvragen worden in deze zaak niet behandeld.