Hoge Raad verhoogt proceskostenvergoeding belastingprocedure naar €1.868
ECLI:NL:HR:2026:1299, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03743 bis
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; eindarrest na tussenarrest HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:301
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) voerde in cassatie aan dat de door het Hof vastgestelde proceskostenvergoeding van €875 te laag was. Belanghebbende stelde dat het Unierecht recht geeft op een hogere vergoeding omdat de forfaitaire bedragen de werkelijke kosten slechts gedeeltelijk dekken.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard: de proceskostenvergoeding voor de rechtbankprocedure wordt verhoogd van €875 naar €1.868. De doorslaggevende reden is niet het Unierechtelijke argument, maar een toepassing van artikel 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht op grond van bijkomende omstandigheden.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt en verduidelijkt bestaande rechtspraak over proceskostenvergoeding in belastingzaken en heeft praktische relevantie voor veel belastingprocedures, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel vast nu wordt verwezen naar een parallel arrest van dezelfde datum.
Belangrijkste punten
- 1Het enkele feit dat forfaitaire proceskostenvergoeding de werkelijke kosten niet volledig dekt, volstaat niet voor een beroep op een hogere vergoeding via het Unierecht.
- 2Bijkomende omstandigheden kunnen in samenhang met gedeeltelijke kostendekking wél aanleiding geven tot een hogere vergoeding op grond van artikel 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht.
- 3De Hoge Raad verwijst voor de afwijzing van het Unierechtelijke betoog naar rechtsoverwegingen in het arrest ECLI:NL:HR:2026:1246 van dezelfde datum.
- 4Er is geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
- 5Over €993 van de toegekende vergoeding is wettelijke rente verschuldigd vanaf vier weken na de uitspraak van de Rechtbank (2 maart 2022).
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt de voorwaarden voor afwijking van forfaitaire proceskostenvergoedingen in belastingzaken: Unierechtelijke argumenten alleen zijn onvoldoende, maar bijkomende omstandigheden kunnen via artikel 2 lid 3 Besluit tot een hogere vergoeding leiden.
Praktische impact
Belastingplichtigen die menen recht te hebben op een hogere proceskostenvergoeding kunnen niet volstaan met het aanvoeren dat de forfaitaire bedragen de werkelijke kosten niet dekken, maar moeten concrete bijkomende omstandigheden aandragen.
Onderwerp-impact
In belastingprocedures wordt de lat voor het verkrijgen van een integrale of hogere proceskostenvergoeding verduidelijkt, waarbij de bewijslast bij de belastingplichtige ligt om bijkomende omstandigheden aan te tonen.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure stond de hoogte van de proceskostenvergoeding in een belastingzaak centraal. De belastingplichtige (belanghebbende) was het niet eens met de door het gerechtshof vastgestelde vergoeding van €875 voor de rechtbankprocedure en voerde aan dat zowel het Unierecht als de bijzondere omstandigheden van het geval recht gaven op een hogere vergoeding. Belanghebbende stelde dat het enkele feit dat de forfaitaire bedragen de werkelijk gemaakte proceskosten slechts gedeeltelijk dekken, al voldoende is om via het Unierecht aanspraak te maken op een volledige vergoeding. De Hoge Raad verwerpt dit argument en sluit aan bij zijn arrest van dezelfde datum (ECLI:NL:HR:2026:1246). Het Unierechtelijke betoog faalt: de enkele omstandigheid dat forfaitaire proceskostenvergoedingen de werkelijke kosten niet volledig dekken, is op zichzelf onvoldoende om een hogere vergoeding via het Unierecht te onderbouwen. Wel erkent de Hoge Raad dat bijkomende omstandigheden in samenhang met dat feit aanleiding kunnen geven tot een hogere vergoeding op grond van artikel 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De overige door belanghebbende aangevoerde omstandigheden bieden echter onvoldoende grond voor toepassing van die uitzonderingsbepaling. Niettemin verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond. De uitspraak van het hof wordt vernietigd voor zover daarin de proceskostenvergoeding voor de rechtbankprocedure op €875 was vastgesteld. De Hoge Raad stelt de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868. Over een deel van dat bedrag (€993) is wettelijke rente verschuldigd vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 2 maart 2022. Tevens wijst de Hoge Raad het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie af.