Hoge Raad: aanvullende Unierechtelijke rente via ontvanger, niet inspecteur
ECLI:NL:HR:2026:1297, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02707
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; Unierecht; art. 28c Invorderingswet 1990; heffing van griffierechten; recht op integrale proceskostenvergoeding bij constatering overschrijding redelijke termijn van berechting; kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaarfase; differentiatie in vergoeding tussen belasting- en premiezaken enerzijds en overige zaken anderzijds; HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ontving een teruggaaf van bpm (belasting personenauto's en motorrijwielen) omdat deze in strijd met Unierecht was geheven. De inspecteur vergoedde belastingrente conform hoofdstuk VA AWR, maar belanghebbende stelde recht te hebben op aanvullende rente over een langere periode op grond van het HvJ-arrest Irimie (C-565/11). De vraag was of de inspecteur deze aanvullende Unierechtelijke rente ambtshalve had moeten vergoeden, of dat daarvoor een aparte procedure bij de ontvanger (art. 28c IW 1990) vereist is.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad bevestigt de uitspraken van Rechtbank en Hof: voor aanvullende rentevergoeding over de periode die het AWR-regime overstijgt, moet belanghebbende zich wenden tot de ontvanger op grond van artikel 28c Invorderingswet 1990. De keuze van de Nederlandse wetgever om deze aanvullende Unierechtelijke rente via de ontvanger te laten lopen, wordt niet in strijd geacht met het Unierecht.
Impactscore
MiddelDe uitspraak komt van de Hoge Raad en beantwoordt een relevante Unierechtelijke vraag over de verdeling van bevoegdheden bij rentevergoeding na onrechtmatige heffing, maar heeft een beperkt toepassingsbereik (bpm-zaken) en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel.
Belangrijkste punten
- 1De inspecteur heeft conform hoofdstuk VA AWR belastingrente vergoed bij de teruggaaf van bpm; deze beschikking is geen voorwerp van geschil.
- 2Op grond van HvJ-arrest Irimie (C-565/11) moet bij in strijd met Unierecht geheven belasting rente worden vergoed over een langere periode dan het nationale AWR-regime voorschrijft.
- 3De aanvullende Unierechtelijke rente valt volgens de nationale wetgever onder artikel 28c IW 1990, waarbij de ontvanger bevoegd is en niet de inspecteur.
- 4Belanghebbende betoogt dat deze knip in strijd is met het Unierecht en buiten de procedurele autonomie van lidstaten valt; de Hoge Raad volgt dit betoog niet.
- 5Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ wordt niet gehonoreerd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat Nederland de aanvullende Unierechtelijke rentevergoeding (conform Irimie) procesrechtelijk mag kanaliseren via de ontvanger (art. 28c IW 1990) zonder dat dit het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel schendt. Dit schept duidelijkheid over de bevoegdheidsverdeling tussen inspecteur en ontvanger bij Unierechtelijke teruggaven.
Praktische impact
Belastingplichtigen die aanspraak maken op aanvullende rente over een periode die het AWR-regime overstijgt, moeten zich actief wenden tot de ontvanger via art. 28c IW 1990; zij kunnen dit niet afdwingen via de bezwaarprocedure bij de inspecteur.
Onderwerp-impact
Voor de bpm-praktijk (import van voertuigen) betekent dit dat importeurs en particulieren die Unierechtelijk recht hebben op aanvullende rentevergoeding, een separate invorderingsrechtelijke route moeten bewandelen, wat extra procedurele stappen vereist.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een belastingplichtige aanspraak kon maken op aanvullende rente van de inspecteur nadat bpm (belasting van personenauto's en motorrijwielen) als strijdig met Unierecht was teruggegeven. De inspecteur had uit eigen beweging belastingrente vergoed conform de regeling in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), maar belanghebbende stelde dat op grond van het HvJ-arrest Irimie (C-565/11) recht bestond op rente over een langere periode — namelijk vanaf het moment van de onrechtmatige betaling tot aan de daadwerkelijke terugbetaling. Zowel de Rechtbank als het Hof wezen het standpunt van belanghebbende af en oordeelden dat voor die aanvullende rentevergoeding de weg via de ontvanger op grond van artikel 28c Invorderingswet 1990 openstaat, en niet de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de inspecteur. Voor de Hoge Raad herhaalde belanghebbende dat de Nederlandse wettelijke systematiek — waarbij de aanvullende Unierechtelijke rente bij de ontvanger moet worden gevorderd — in strijd is met het Unierecht, omdat de verplichting tot rentevergoeding wegens onrechtmatige heffing buiten de procedurele autonomie van lidstaten zou vallen. Subsidiair werd verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. De keuze van de Nederlandse wetgever om de aanvullende rentevergoeding te regelen via art. 28c IW 1990 — en dus via de ontvanger — is verenigbaar met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel, zolang die route daadwerkelijk openstaat voor de belastingplichtige. Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen wordt niet ingewilligd. De uitspraak bevestigt daarmee de bestaande bevoegdheidsverdeling en maakt duidelijk dat belastingplichtigen in bpm-teruggaafzaken actief een separate invorderingsrechtelijke procedure moeten starten om aanvullende Unierechtelijke rente te verkrijgen.