Hoge Raad: cassatie WOZ-gegevensverstrekking ongegrond verklaard
ECLI:NL:HR:2026:1294, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03007
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 40, lid 2, Wet WOZ; vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2025:1823
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde cassatie in tegen een hofuitspraak over de WOZ-waardebepaling door de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. In geschil was of de heffingsambtenaar in strijd had gehandeld met artikel 40 lid 2 Wet WOZ door bepaalde gegevens niet (tijdig) te verstrekken. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet was benadeeld, ook al zou het artikel zijn geschonden.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hoewel de klacht over de motivering van het hof terecht was voorgesteld (het hof gebruikte een onjuiste redenering over benadeling), leidt dit niet tot cassatie omdat uit de stukken blijkt dat de gevraagde gegevens in de bezwaarfase alsnog aan belanghebbende zijn verstrekt.
Impactscore
LaagDe uitkomst is ongegrond verklaard op feitelijke gronden en de Hoge Raad voegt inhoudelijk weinig toe aan het al in december 2025 gewezen arrest; de uitspraak heeft daarmee beperkte zelfstandige precedentwaarde.
Belangrijkste punten
- 1Het hof liet in het midden of artikel 40 lid 2 Wet WOZ was geschonden, maar oordeelde dat belanghebbende niet was benadeeld omdat hij sowieso beroep zou hebben ingesteld — een redenering die de Hoge Raad in lijn met HR 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823) als onjuist aanmerkt.
- 2De klacht treft het hof-oordeel terecht, maar leidt niet tot cassatie omdat de stukken uitwijzen dat de gevraagde gegevens wél in de bezwaarfase zijn verstrekt.
- 3De overige cassatieklachten worden zonder nadere motivering verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO.
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd.
- 5De uitspraak bouwt voort op HR 19 december 2025 inzake de uitleg van artikel 40 lid 2 Wet WOZ en de toets voor benadeling bij schending van informatieverstrekking.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt de in HR 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823) uitgezette lijn dat de maatstaf voor benadeling bij schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ niet mag worden beoordeeld op basis van de hypothetische proceshouding van belanghebbende. De uitspraak heeft echter beperkte zelfstandige precedentwaarde nu cassatie ongegrond is verklaard op feitelijke gronden.
Praktische impact
Voor WOZ-geschillen betekent dit dat heffingsambtenaren er zorg voor moeten dragen dat de in bezwaar gevraagde taxatiegegevens daadwerkelijk en tijdig in de bezwaarfase worden verstrekt; wordt dat hersteld vóór het einde van de bezwaarfase, dan levert latere schending geen cassatiebelang meer op.
Onderwerp-impact
In de praktijk van de lokale belastingheffing en WOZ-procedures benadrukt deze uitspraak het belang van correcte informatieverstrekking door samenwerkingsverbanden van gemeenten en waterschappen, en bevestigt dat vormfouten die in de bezwaarfase zijn hersteld niet tot vernietiging leiden.
Samenvatting
In deze Hoge Raad-uitspraak van 17 juli 2026 stond centraal de vraag of het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden terecht had geoordeeld dat een belanghebbende niet was benadeeld door een mogelijke schending van artikel 40 lid 2 van de Wet WOZ door de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. Dit artikel verplicht de heffingsambtenaar om op verzoek bepaalde aan de WOZ-waardebepaling ten grondslag liggende gegevens te verstrekken. Het hof had — in het midden latend of de schending daadwerkelijk had plaatsgevonden — geoordeeld dat belanghebbende niet was benadeeld, omdat hij ook zonder die schending beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld. De Hoge Raad oordeelt in navolging van zijn arrest van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823) dat deze redenering juridisch onjuist is: de maatstaf voor benadeling mag niet worden beoordeeld aan de hand van de hypothetische proceshouding van de belanghebbende. De klacht is daarmee terecht voorgesteld. Toch leidt dit niet tot vernietiging van de hofuitspraak, omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de gevraagde gegevens — die onder de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet WOZ vallen — alsnog in de bezwaarfase aan belanghebbende zijn verstrekt. Een eventuele eerdere schending is daarmee feitelijk hersteld, zodat cassatiebelang ontbreekt. De overige cassatieklachten worden afgedaan op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO, zonder nadere motivering. De Hoge Raad ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt de eerder ingezette lijn over informatieverstrekking in WOZ-procedures en benadrukt dat feitelijk herstel in de bezwaarfase in de weg staat aan cassatiesucces.