JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1291Laag28/100

Hoge Raad verwerpt cassatie WOZ-gegevensverstrekking

ECLI:NL:HR:2026:1291, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03006

Hoge RaadUitspraak: 17 juli 2026Publicatie: 16 juli 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:24/03006
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
Cassatie Ongegrond
Heffingsambtenaar
Wet Woz
Gegevensverstrekking
Bezwaarfase

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Art. 40, lid 2, Wet WOZ; vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2025:1823

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde cassatie in tegen een hofuitspraak over de WOZ-waardebepaling door de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. De kern van het geschil betrof de vraag of de heffingsambtenaar artikel 40 lid 2 Wet WOZ had geschonden door bepaalde gegevens niet tijdig te verstrekken in de bezwaarfase.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hoewel de klacht over het oordeel van het Hof inzake benadeling terecht was voorgesteld, kon zij niet tot cassatie leiden omdat uit de stukken bleek dat de gevraagde gegevens alsnog in de bezwaarfase waren verstrekt.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is grotendeels toepassing van een reeds in december 2025 vastgelegde rechtsregel en leidt niet tot vernietiging; de bredere rechtsontwikkeling heeft al plaatsgevonden in het eerdere arrest.

Belangrijkste punten

  • 1Het Hof liet in het midden of artikel 40 lid 2 Wet WOZ was geschonden, maar oordeelde ten onrechte dat schending geen benadeling opleverde omdat belanghebbende toch zou hebben geprocedeerd.
  • 2De Hoge Raad bevestigt dat dit hof-oordeel over benadeling onjuist is, verwijzend naar HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823.
  • 3De klacht slaagt inhoudelijk niet omdat de gevraagde gegevens wél in de bezwaarfase zijn verstrekt, zodat cassatie achterwege blijft.
  • 4De overige cassatieklachten worden verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO, zonder nadere motivering.
  • 5Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt de lijn uit HR 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823) dat schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ niet kan worden gepasseerd met de redenering dat de belastingplichtige toch zou hebben geprocedeerd; de werkelijke inbreuk op het recht op gegevensverstrekking is bepalend.

Praktische impact

Voor belastingplichtigen in WOZ-geschillen betekent dit dat tijdige verstrekking van gegevens in de bezwaarfase essentieel is; wordt tijdig verstrekt, dan levert een eventuele schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ in cassatie geen vernietiging op.

Onderwerp-impact

Heffingsambtenaren en belastingsamenwerkingsverbanden worden bevestigd in de verplichting gegevens daadwerkelijk en tijdig in de bezwaarfase te verstrekken; het voldoen aan die verplichting is afdoende om procedurele schendingen te helen.

Samenvatting

In deze zaak stond centraal of de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht artikel 40 lid 2 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) had geschonden door gevraagde gegevens niet (tijdig) te verstrekken tijdens de bezwaarfase. Het Hof had die vraag in het midden gelaten en, veronderstellenderwijs uitgaande van een schending, geoordeeld dat de belastingplichtige daardoor niet was benadeeld, omdat hij ook zonder die schending bezwaar en beroep zou hebben ingesteld. De Hoge Raad overweegt dat dit oordeel van het Hof onjuist is en verwijst daarvoor naar zijn eerder arrest van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823), waarin hij heeft vastgelegd dat de nadeeloordeling bij schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ niet aldus mag worden ingevuld. De cassatieklacht hierover is dan ook terecht voorgesteld. Desondanks kan de klacht niet leiden tot vernietiging van de hofuitspraak. Uit de processtukken volgt namelijk onomstotelijk dat de gevraagde en onder het bereik van artikel 40 lid 2 Wet WOZ vallende gegevens wél aan de belastingplichtige zijn verstrekt, zij het in de loop van de bezwaarfase. Daarmee is het gebrek in feite hersteld en ontbreekt grond voor cassatie. De overige cassatieklachten worden zonder nadere motivering verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO, nu beantwoording van de daaraan ten grondslag liggende rechtsvragen niet noodzakelijk is voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat heffingsambtenaren die de vereiste gegevens tijdig in de bezwaarfase verstrekken, een eventueel procedureel vormverzuim kunnen helen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1299Middel
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1299, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03743 bis

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
52/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1287Middel
Belastingrecht
Internationaal privaatrecht

ECLI:NL:HR:2026:1287, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02811

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
55/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied