Hoge Raad vernietigt oordeel woonplaats belastingplichtige deels
ECLI:NL:HR:2026:1287, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02811
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Inkomstenbelasting; art. 10:3 Awb, art. 4 en art. 16 AWR, art. 2 Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 en art. 4 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010; heeft de Inspecteur gehandeld in strijd met art. 10:3, lid 3, Awb? Beschikt hij over een nieuw feit? Motivering van het Hof over de woonplaats van belanghebbende.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige procedeerde tegen de Belastingdienst over zijn fiscale woonplaats in de jaren 2016 en 2017. Het Hof oordeelde dat hij inwoner van Nederland was en dus binnenlands belastingplichtig voor zijn wereldinkomen. De belastingplichtige bestreed dit oordeel in cassatie, met name voor de periode vanaf medio 2016.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en vernietigt de hofuitspraak voor zover die de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de aanslag IB/PVV 2017 betreft. De doorslaggevende reden is dat het Hof zijn oordeel over het verblijf van belanghebbende na medio 2016 baseerde op een Excel-overzicht van de Inspecteur dat slechts tot medio 2016 reikte, zonder nadere motivering voor de latere periode.
Impactscore
MiddelDe Hoge Raad stelt geen nieuwe rechtsregel maar herbevestigt de motiveringseis voor feitenrechters bij fiscale woonplaatsvragen; de zaak heeft praktische relevantie voor grensoverschrijdende belastingplichtigen maar beperkte precedentwerking buiten dit specifieke bewijsprobleem.
Belangrijkste punten
- 1Het Hof oordeelde dat belanghebbende zowel naar nationaal recht als op grond van het belastingverdrag met Zwitserland (1951) en het Verdrag 2010 als inwoner van Nederland gold.
- 2Het oordeel over de woonplaats was mede gebaseerd op een door de Inspecteur opgesteld Excel-overzicht met verblijfdata, dat slechts liep tot medio 2016.
- 3Voor de periode na medio 2016 ontbrak feitelijke onderbouwing in het overzicht, waardoor het hofsoordeel over die periode onbegrijpelijk was.
- 4De Hoge Raad vernietigt de uitspraak partieel en verwijst naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor herbehandeling.
- 5De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten en dient het griffierecht van € 138 te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak benadrukt dat rechters bij vaststelling van fiscale woonplaats over elk afzonderlijk belastingjaar voldoende feitelijke onderbouwing moeten hebben; bewijsmiddelen die slechts een deel van de relevante periode bestrijken kunnen het oordeel over de rest van die periode niet dragen. Dit versterkt de motiveringseis bij woonplaatsgeschillen in belastingzaken.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige betekent de verwijzing dat de navorderingsaanslag 2016 en de aanslag 2017 opnieuw worden beoordeeld, met ruimte om alsnog aan te tonen dat hij na medio 2016 niet als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt. De Belastingdienst zal aanvullend bewijs moeten leveren voor de periode na medio 2016.
Onderwerp-impact
In grensoverschrijdende situaties waarbij belastingverdragen en nationale woonplaatsregels samenkomen, onderstreept deze uitspraak het belang van volledig en periodedekkend bewijsmateriaal bij woonplaatsgeschillen met de Belastingdienst.
Samenvatting
In deze belastingzaak stond de fiscale woonplaats van een belastingplichtige centraal voor de jaren 2016 en 2017. Het Gerechtshof had geoordeeld dat belanghebbende in beide jaren als inwoner van Nederland moest worden aangemerkt, zowel op grond van nationaal belastingrecht als op grond van het belastingverdrag met Zwitserland uit 1951 en een verdrag uit 2010. Dit betekende dat hij als binnenlands belastingplichtige werd aangeslagen voor zijn wereldinkomen. Het Hof had zijn oordeel mede gebaseerd op het aanzienlijke aantal dagen dat belanghebbende in Nederland verbleef, en steunde daarvoor op een door de Inspecteur opgesteld Excel-overzicht met verblijfdata. In cassatie klaagde belanghebbende er onder meer over dat dit overzicht slechts gegevens bevatte tot medio 2016, en dat de Inspecteur voor de periode daarna geen informatie had verstrekt. De Hoge Raad honoreert dit cassatiemiddel. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende ook na medio 2016 de meeste tijd in Nederland verbleef, is onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het klaarblijkelijk berust op een bewijsmiddel dat die periode niet bestrijkt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan dat oordeel niet in stand blijven voor zover het de periode na medio 2016 betreft. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de hofuitspraak voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de aanslag IB/PVV 2017, en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor herbehandeling. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht van € 138 vergoeden. De uitspraak onderstreept dat feitenrechters bij het vaststellen van fiscale woonplaats voor elk relevant tijdvak over toereikende en periodedekkende bewijsmiddelen moeten beschikken.