Hoge Raad bevestigt beperkte proceskostenvergoeding BPM-zaken
ECLI:NL:HR:2026:1246, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/00089 bis
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; eindarrest na HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:677
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) vecht de beperkte proceskostenvergoeding in BPM-procedures aan op grond van Unierechtelijke beginselen. De beperkingen zijn ingevoerd via de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). Belanghebbende betoogt dat deze beperkingen in strijd zijn met EU-recht en verzoekt om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad wijst het verzoek tot heroverweging en het stellen van prejudiciële vragen af. Doorslaggevend is dat de Hoge Raad reeds in zijn arrest van 17 januari 2025 heeft vastgesteld dat de WHpkv-beperkingen niet in strijd zijn met artikel 47 Handvest, het doeltreffendheidsbeginsel noch het gelijkwaardigheidsbeginsel, en dat belanghebbende geen nieuwe argumenten aandraagt die tot heroverweging nopen.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad sluit als hoogste belastingrechter definitief de EU-rechtelijke aanvechting van de WHpkv af in een rechtsgebied met een zeer groot volume aan procedures, wat structurele rechtspraktijkgevolgen heeft. De uitspraak is echter overwegend bevestigend van eerder recht en niet principieel nieuw.
Belangrijkste punten
- 1De WHpkv-beperkingen op proceskostenvergoedingen in BPM-procedures zijn verenigbaar met artikel 47 EU-Handvest (effectieve rechtsbescherming).
- 2De beperkingen zijn evenmin in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel of gelijkwaardigheidsbeginsel.
- 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie.
- 4De verwijzingsplicht ex artikel 267 lid 3 VWEU geldt alleen als geen van de drie Cilfit-uitzonderingen van toepassing is; de Hoge Raad acht dat hier niet het geval.
- 5Het arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025) vormt het bindende kader; geen nieuwe argumenten rechtvaardigen heroverweging.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest consolideert de rechtslijn van HR 17 januari 2025 en bevestigt definitief dat de WHpkv-beperkingen EU-rechtelijk houdbaar zijn, waardoor verdere aanvechting op Unierechtelijke gronden in beginsel kansloos is. De Cilfit-doctrine wordt uitdrukkelijk toegepast als grondslag om de prejudiciële verwijzingsplicht buiten toepassing te laten.
Praktische impact
Belastingplichtigen en hun gemachtigden in BPM-zaken kunnen niet langer rekenen op volledige proceskostenvergoeding en kunnen de beperkte WHpkv-tarieven niet meer succesvol aanvechten via EU-rechtelijke argumenten voor de Hoge Raad.
Onderwerp-impact
Voor de BPM-praktijk (import van voertuigen) betekent dit dat de financiële drempel voor bezwaar- en beroepsprocedures structureel hoger blijft, hetgeen de positie van no-cure-no-pay-gemachtigden in dit rechtsgebied verder onder druk zet.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Hoge Raad van 17 juli 2026 vormt een vervolg op het richtinggevende arrest van 17 januari 2025 over de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). De WHpkv beperkt de proceskostenvergoedingen die belastingplichtigen kunnen ontvangen wanneer zij met succes procederen in WOZ- en BPM-zaken. Belanghebbende heeft in een bericht van 20 april 2026 de Hoge Raad verzocht terug te komen op zijn oordeel uit januari 2025 en tevens verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad wijst beide verzoeken af. Ten aanzien van de inhoudelijke heroverweging oordeelt de Hoge Raad dat de door belanghebbende aangevoerde argumenten geen nieuwe inzichten bevatten die afwijking van de vastgestelde rechtslijn rechtvaardigen. Die rechtslijn houdt in dat de WHpkv-beperkingen niet in strijd zijn met het beginsel van effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het EU-Handvest, noch met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel of het gelijkwaardigheidsbeginsel. Ten aanzien van de prejudiciële verwijzing herinnert de Hoge Raad aan de Cilfit-doctrine (HvJ 6 oktober 1982, zaak 283/81): de verwijzingsplicht van artikel 267 lid 3 VWEU geldt uitsluitend voor rechterlijke instanties waarvan beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, én alleen indien geen van de drie Cilfit-uitzonderingen van toepassing is. De Hoge Raad acht een van die uitzonderingen hier van toepassing en ziet derhalve geen verwijzingsplicht. De uitspraak heeft grote praktische betekenis voor de omvangrijke BPM-procedurepraktijk in Nederland. Gemachtigden die op no-cure-no-pay-basis procederen, kunnen niet langer via EU-rechtelijke argumenten hogere kostenvergoedingen afdwingen. De wetgever heeft met de WHpkv bewust ingegrepen in een praktijk die door massale procedures werd gekenmerkt, en de Hoge Raad bekrachtigt die beleidskeuze definitief als EU-rechtelijk aanvaardbaar.