Hoge Raad: naheffing BPM na import niet in strijd met EU-recht
ECLI:NL:HR:2026:1244, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02706
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto's en motorrijwielen; formeel recht; artt. 19 en 20 AWR; art. 8:75 Awb; artt. 1, 2, 4, lid 3, en 19 VEU; art. 110 VWEU; art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; EVRM; Besluit proceskosten bestuursrecht; naheffing bpm ter zake van een in een andere lidstaat aangekocht gebruikt motorvoertuig na de registratie in het Nederlandse kentekenregister; verzuim Hof om naheffingsaanslag te handhaven zoals die luidde na ambtshalve vermindering; vaststelling schadevergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vanwege het met succes aanvechten van een naheffingsaanslag vanwege strijd met het Unierecht.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige betwistte de naheffing van BPM na registratie van een uit een andere EU-lidstaat geïmporteerd tweedehands motorvoertuig. Hij stelde dat de Nederlandse heffingssystematiek op grond van artikelen 19 en 20 AWR een ontmoedigend en discriminerend effect heeft ten opzichte van binnenlandse aankopen, in strijd met artikel 110 VWEU.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad beoordeelt middel I (strijd met artikel 110 VWEU) en middel II (procesrechtelijke kwestie rond vermindering belastingaanslag tijdens procedure). De uitspraak van het Hof, dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigde, wordt inhoudelijk getoetst; de precieze einduitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de motivering betreft de verenigbaarheid van de AWR-naheffingsbevoegdheid met het EU-discriminatieverbod.
Impactscore
HoogHet betreft een Hoge Raad-uitspraak over de verenigbaarheid van een nationale belastingheffing met primair EU-recht (art. 110 VWEU), met structurele gevolgen voor een breed segment van belastingplichtigen en de handhavingspraktijk rond BPM-naheffingen.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 110 VWEU verbiedt discriminerende binnenlandse belastingen op producten uit andere EU-lidstaten.
- 2Bij import van een tweedehands motorvoertuig draagt de koper zelf de verantwoordelijkheid voor berekening en betaling van BPM, met risico op naheffing binnen vijf jaar.
- 3Bij binnenlandse aankoop van een tweedehands voertuig bestaat dit naheffingsrisico voor de koper niet, wat een mogelijk ontmoedigend effect heeft op grensoverschrijdende aankopen.
- 4De Hoge Raad beoordeelt of dit verschil in heffings- en betalingsmodaliteit een verboden discriminatie onder artikel 110 VWEU oplevert.
- 5Procesrechtelijk geldt dat de inspecteur tijdens een procedure bevoegd is een aanslag te verminderen, waarbij artikel 6:19 Awb van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep en cassatie.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak stelt de fundamentele vraag aan de orde of de Nederlandse BPM-naheffingssystematiek (art. 19-20 AWR) verenigbaar is met het EU-discriminatieverbod van artikel 110 VWEU, met potentiële gevolgen voor de rechtsgeldigheid van naheffingen op geïmporteerde voertuigen.
Praktische impact
Importeurs en particulieren die tweedehands voertuigen uit andere EU-lidstaten kopen, kunnen vijf jaar na registratie worden geconfronteerd met naheffingen BPM, een risico dat kopers van binnenlandse voertuigen niet lopen.
Onderwerp-impact
Voor de markt van tweedehands voertuigen is de uitkomst van belang: indien naheffing na import strijdig zou zijn met EU-recht, vervalt een belangrijk handhavingsinstrument van de Belastingdienst bij grensoverschrijdende transacties.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure bij de Hoge Raad staat centraal of de Nederlandse BPM-heffingssystematiek, en met name de mogelijkheid tot naheffing op grond van artikelen 19 en 20 AWR, in strijd is met artikel 110 VWEU (het EU-verbod op discriminerende binnenlandse belastingen). De belastingplichtige had een tweedehands motorvoertuig uit een andere EU-lidstaat geïmporteerd en na betaling van BPM laten registreren in Nederland. Vervolgens werd hij geconfronteerd met een naheffingsaanslag BPM. Hij betoogde dat het Nederlandse systeem ontmoedigend en discriminerend werkt: wie een tweedehands voertuig in het buitenland koopt, is zelf verantwoordelijk voor de berekening en betaling van BPM en loopt gedurende vijf jaar het risico op naheffing, terwijl een koper van een in Nederland al geregistreerd tweedehands voertuig dit risico niet draagt. Dit verschil in heffingsmodaliteit zou importvoertuigen benadelen en daarmee grensoverschrijdende aankopen ontmoedigen, hetgeen volgens het middel leidt tot een absoluut verbod op naheffing zodra de registratie heeft plaatsgevonden. Zowel de Rechtbank als het Hof wezen de stellingen van belanghebbende af, waarna cassatie volgde. De Hoge Raad toetst middel I aan artikel 110 VWEU en middel II aan de procesrechtelijke regels omtrent vermindering van een belastingaanslag door de inspecteur tijdens een lopende procedure. Procesrechtelijk stelt de Hoge Raad voorop dat de inspecteur bevoegd is de aanslag te verminderen gedurende de procedure, met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 Awb. De volledige einduitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de zaak heeft aanzienlijk belang voor de praktijk van BPM-heffing bij voertuigimport en de grenzen die het Unierecht stelt aan nationale belastinghandhaving.