Hoge Raad: WOZ-schending artikel 40 leidt tot proceskostenvergoeding
ECLI:NL:HR:2026:1152, Hoge Raad, 03-07-2026, 24/03057
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 40, lid 2, Wet WOZ; veroordeling proceskosten, ECLI:NL:HR:2025:106
Kern van de zaak
Een belastingplichtige deed een WOZ-bezwaar waarbij de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (BghU) weigerde de wettelijk verplichte correcties bij afwijking van gemiddelde waarderingsfactoren te verstrekken. Het hof oordeelde dat de schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ had plaatsgevonden, maar kende geen proceskosten toe omdat de belastingplichtige ook zonder die schending zou hebben geprocedeerd. De belastingplichtige stelde cassatie in.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en vernietigt de hofuitspraken voor zover het griffierecht en de proceskosten betreffen. Doorslaggevend is dat een succesvol beroep op schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ zelfstandig en automatisch recht geeft op proceskosten- en griffierechtvergoeding, ongeacht of de belastingplichtige ook zonder die schending zou hebben geprocedeerd.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad geeft een richtinggevende uitleg aan de gevolgen van schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ voor proceskosten, wat structureel van belang is voor de veelvoorkomende WOZ-praktijk bij alle gemeentelijke heffingsambtenaren in Nederland.
Belangrijkste punten
- 1Schending van de toezendplicht van artikel 40 lid 2 Wet WOZ door de heffingsambtenaar staat in cassatie vast en is onbestreden.
- 2Het hof oordeelde ten onrechte dat benadeling afwezig was omdat de belastingplichtige ook zonder de schending zou hebben geprocedeerd over het inhoudelijke waardegeschil (afnemend grensnut).
- 3De Hoge Raad stelt vast dat een succesvol beroep op artikel 40 lid 2 Wet WOZ zelfstandig recht geeft op proceskosten- en griffierechtvergoeding.
- 4De uitspraken van hof en rechtbank worden vernietigd uitsluitend voor zover zij het griffierecht en de proceskosten betreffen; de inhoudelijke waardebeslissing blijft in stand.
- 5De BghU wordt opgedragen griffierecht voor cassatie (€ 138) en bij het hof betaald griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt dat schending van de informatieverplichting ex artikel 40 lid 2 Wet WOZ een zelfstandige grond is voor proceskostenvergoeding, onafhankelijk van de vraag of de belastingplichtige door de schending concreet is benadeeld in zijn keuze om te procederen. Dit versterkt de rechtsbescherming van WOZ-bezwaarmakers.
Praktische impact
Heffingsambtenaren die de toezendplicht van WOZ-correcties schenden, riskeren steeds een proceskostenveroordeling, ook wanneer de belastingplichtige om inhoudelijke redenen toch zou hebben geprocedeerd; dit creëert een sterkere financiële prikkel tot naleving.
Onderwerp-impact
Voor WOZ-procedures betekent deze uitspraak dat gemeentelijke belastingsamenwerkingen hun informatieverplichtingen in de bezwaarfase strikt moeten naleven om proceskostenrisico's te vermijden.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een belastingplichtige recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierecht wanneer de heffingsambtenaar de informatieplicht van artikel 40 lid 2 van de Wet WOZ heeft geschonden, maar de belastingplichtige ook om inhoudelijke redenen zou hebben geprocedeerd. De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht had in de bezwaarfase geweigerd de wettelijk verplichte correcties bij afwijking van de gemiddelde waardering van factoren als kwaliteit, onderhoud, uitstraling en ligging te verstrekken. Het hof erkende deze schending, maar weigerde proceskosten en griffierecht toe te kennen. Reden: de belastingplichtige zou de procedure toch zijn gestart vanwege het inhoudelijke geschil over het afnemend grensnut bij de WOZ-waardebepaling, zodat van benadeling door de schending geen sprake zou zijn. De Hoge Raad verwerpt deze redenering. Een succesvol beroep op schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ geeft zelfstandig recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht, als bedoeld in artikel 30a lid 2 onderdeel b van de Wet WOZ. De vraag of de belastingplichtige ook zonder de schending zou hebben geprocedeerd, is voor dit recht op vergoeding niet relevant. De Hoge Raad vernietigt de uitspraken van hof en rechtbank uitsluitend voor zover zij het griffierecht en de proceskosten betreffen, en draagt de BghU op het griffierecht voor cassatie (€ 138) en het bij het hof betaalde griffierecht te vergoeden. De inhoudelijke WOZ-waardebeslissing blijft onaangetast. Deze uitspraak heeft substantiële betekenis voor de WOZ-praktijk: heffingsambtenaren kunnen een schending van de toezendplicht niet meer vrijwaren van financiële gevolgen door te betogen dat de belastingplichtige toch wel zou hebben geprocedeerd. Dit versterkt de naleving van informatieverplichtingen in de bezwaarfase en verbetert daarmee de rechtsbescherming van WOZ-bezwaarmakers.