Hoge Raad wijst kennelijk ongegrond wrakingsverzoek af
ECLI:NL:HR:2026:1137, Hoge Raad, 03-07-2026, 26/02131
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking af.
Kern van de zaak
Een partij diende een wrakingsverzoek in bij de Hoge Raad tegen een of meer rechters die de zaak behandelen. Het verzoek was niet onderbouwd met concrete feiten of omstandigheden die wijzen op schade aan de rechterlijke onpartijdigheid. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond was.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad wijst het wrakingsverzoek af zonder behandeling ter zitting. Het verzoek is kennelijk ongegrond omdat het uitsluitend steunt op gronden of kwalificaties die niet berusten op concrete feiten of omstandigheden waaruit een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kan worden afgeleid.
Impactscore
LaagDe beslissing is een routinematige toepassing van een reeds gevestigde wrakingsnorm en voegt geen nieuw recht toe; de impact beperkt zich tot de individuele zaak en bevat geen richtinggevende overweging.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van art. 8:15 Awb kan wraking worden verzocht wegens feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden.
- 2Art. 8:18 lid 3 Awb biedt de wrakingskamer de bevoegdheid een kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond verzoek zonder zitting af te doen.
- 3Kennelijke niet-ontvankelijkheid doet zich onder meer voor als het verzoek niet tegen een individuele rechter is gericht of niet is gemotiveerd (art. 8:16 lid 2 Awb).
- 4Kennelijke ongegrondheid is aanwezig als de onderbouwing enkel uit kwalificaties bestaat zonder concrete feitelijke grondslag.
- 5De Hoge Raad past de vereenvoudigde afdoening toe en wijst het verzoek zonder zitting af.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat wrakingsverzoeken die louter op abstracte kwalificaties berusten zonder concrete feiten, kennelijk ongegrond zijn en zonder zitting kunnen worden afgewezen op grond van art. 8:18 lid 3 Awb. Dit is een toepassing van bestaand recht, geen nieuwe rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Verzoekende partijen worden er nogmaals op gewezen dat een wrakingsverzoek uitdrukkelijk met concrete, feitelijke omstandigheden moet worden onderbouwd; een algemene beschuldiging van partijdigheid volstaat niet en leidt tot directe afwijzing zonder zitting.
Onderwerp-impact
Voor de rechtspraktijk rondom wrakingsprocedures bij bestuursrechters bevestigt deze beslissing dat de drempel voor inhoudelijke behandeling hoog ligt en dat vereenvoudigde afdoening de standaard is bij gebrekkig gemotiveerde verzoeken.
Samenvatting
In deze procedure diende een partij een wrakingsverzoek in bij de Hoge Raad op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzoeker stelde dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding was, maar onderbouwde dit uitsluitend met kwalificaties en algemene stellingen, zonder concrete feiten of omstandigheden aan te voeren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid zouden kunnen rechtvaardigen. De centrale rechtsvraag was of het wrakingsverzoek voldeed aan de wettelijke vereisten en of het inhoudelijk moest worden behandeld, dan wel of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond was in de zin van artikel 8:18 lid 3 Awb. De Hoge Raad, zitting houdend als wrakingskamer onder voorzitterschap van vice-president Van den Brink, oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Het vereiste van artikel 8:16 lid 2 Awb bepaalt dat een wrakingsverzoek gemotiveerd dient te zijn met concrete feiten of omstandigheden. Nu de onderbouwing enkel bestond uit abstracte kwalificaties zonder feitelijke grondslag, voldeed het verzoek niet aan deze eis. Op grond van artikel 8:18 lid 3 Awb heeft de wrakingskamer de bevoegdheid om in dat geval af te zien van behandeling ter zitting en het verzoek direct af te wijzen. De Hoge Raad maakt gebruik van deze bevoegdheid en wijst het wrakingsverzoek af zonder zitting. Deze beslissing sluit aan bij eerdere jurisprudentie, waaronder HR 16 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:370), en vormt een standaardtoepassing van de wrakingsnormen in het bestuursrecht. Er is geen sprake van nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak bevestigt dat wrakingsprocedures niet mogen worden gebruikt als vertragingstactiek of als ventiel voor procedurele ontevredenheid zonder deugdelijke feitelijke onderbouwing.