Verdachte veroordeeld voor medeplegen meerdere Opiumwetfeiten
ECLI:NL:GHSHE:2026:858, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-03-2026, 20-000644-25
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Kern van de zaak
Een verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch berecht voor meerdere overtredingen van de Opiumwet, waaronder het aanwezig hebben, verhandelen en voorbereiden van drugsfeiten. De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank, waarbij de verdachte gedeeltelijk was vrijgesproken van feit 1.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de partiële vrijspraak van feit 1. Voor de overige feiten acht het hof de verdachte wettig en overtuigend schuldig aan medeplegen van meerdere Opiumwetovertredingen (artikelen 2 onder B en C, en artikel 10 lid 4 Opiumwet). De doorslaggevende reden is de bewijsconstructie op basis van de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang.
Impactscore
LaagHet betreft een relatief standaard strafzaak inzake Opiumwetfeiten bij een gerechtshof, zonder bijzondere rechtsvragen of precedentwerking; de uitspraak past binnen gevestigde jurisprudentie over medeplegen en de Opiumwet.
Belangrijkste punten
- 1Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor zover gericht tegen de partiële vrijspraak van feit 1
- 2Bewezenverklaard: medeplegen van aanwezig hebben van harddrugs (art. 2 onder C Opiumwet)
- 3Bewezenverklaard: medeplegen van verkoop/aflevering/verstrekking van harddrugs (art. 2 onder B Opiumwet)
- 4Bewezenverklaard: medeplegen van voorbereidingshandelingen voor een zwaar drugsdelict (art. 10 lid 4 Opiumwet)
- 5Geen strafuitsluitingsgronden aanwezig; verdachte is strafbaar
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de medepleegconstructie bij gestapelde Opiumwetfeiten en de grenzen van de appellabiliteit bij partiële vrijspraken in hoger beroep. De niet-ontvankelijkverklaring voor het onderdeel van de partiële vrijspraak benadrukt de procesrechtelijke begrenzing van het hoger beroep.
Praktische impact
De verdachte staat schuldig aan drie afzonderlijke drugsdelicten en zal worden veroordeeld tot een (nog nader te bepalen) straf. De gedeeltelijke vrijspraak in eerste aanleg voor feit 1 blijft onherroepelijk.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft betekenis voor de strafrechtelijke aanpak van georganiseerde drugshandel, waarbij meerdere rollen (aanwezig hebben, handelen en voorbereiden) gelijktijdig worden vervolgd en bewezen verklaard via de medepleegconstructie.
Samenvatting
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch deed op 27 maart 2026 uitspraak in een strafzaak waarin een verdachte in hoger beroep terechtstond voor meerdere overtredingen van de Opiumwet. De zaak betrof het medeplegen van het aanwezig hebben van harddrugs (artikel 2 onder C Opiumwet), het handelen in harddrugs (artikel 2 onder B Opiumwet) en het plegen van voorbereidingshandelingen voor een zwaar drugsdelict in de zin van artikel 10 lid 4 Opiumwet. In eerste aanleg had de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van een onderdeel van feit 1. Het hof stelde vast dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor zover dat was gericht tegen deze partiële vrijspraak, omdat dit rechtsmiddelinstelling procesrechtelijk niet openstaat. De beoordeling door het hof beperkte zich daardoor tot de overige onderdelen van de tenlastelegging. Ten aanzien van de feiten 1 (resterende onderdelen), 2 en 3 oordeelde het hof dat de bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Het hof kwalificeerde alle drie feiten als medeplegen, hetgeen impliceert dat de verdachte een bewuste en nauwe samenwerking heeft gehad met één of meer anderen bij het begaan van de drugsdelicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook voor alle drie de feiten strafbaar. De oplegging van de sanctie werd in de uitspraak aangekondigd maar is in de beschikbare tekst niet volledig weergegeven. De zaak illustreert de strafrechtelijke aanpak van drugshandel waarbij meerdere gedragingen — bezit, handel en voorbereiding — gelijktijdig worden vervolgd en bewezen verklaard, en bevestigt de vaste lijn in de jurisprudentie omtrent de medepleegconstructie bij Opiumwetfeiten.