JurispRadar
ECLI:NL:GHSHE:2026:397Laag28/100

Naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van €420.000 gehandhaafd

ECLI:NL:GHSHE:2026:397, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-02-2026, 24/359 en 24/360

Gerechtshof 's-HertogenboschUitspraak: 18 februari 2026Publicatie: 18 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/359 en 24/360
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Vastgoed
Vergunningen
Naheffingsaanslag
Verzuimboete
Belastingrente
Overdrachtsbelasting
Stukkenplicht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Het hof oordeelt dat het economische eigendom van een onroerende zaak in de belanghebbende is ingebracht. De waarde hiervan is minimaal gelijk aan de tegenprestatie (artikel 9, lid 1, BRV). Verder oordeelt het hof dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd (artikel 8:42 Awb) en het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

Kern van de zaak

Belanghebbende B.V. ontving een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van €420.000, een verzuimboete van €5.278 en belastingrente van €66.034. De vennootschap maakte bezwaar en stelde vervolgens beroep in, maar verloor bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. In hoger beroep bij het Hof 's-Hertogenbosch betwistte zij onder meer of de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd.

Beslissing van de rechter

Het hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur stukken heeft achtergehouden; het hoger beroep wordt (voor zover uit de beschikbare tekst blijkt) ongegrond verklaard. De doorslaggevende reden is dat de inspecteur gemotiveerd heeft gesteld dat het afzonderlijke traject met de inspecteurs inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting buiten zijn bemoeienis viel, en dat het dossier geen aanwijzingen biedt voor het tegendeel.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijke toepassing van bestaande regels over de bewijslast bij het al-dan-niet overleggen van stukken en de naheffing overdrachtsbelasting; de uitspraak stelt geen nieuwe rechtsnormen en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke feitensituatie.

Belangrijkste punten

  • 1Naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van €420.000 opgelegd, samen met verzuimboete van €5.278 en belastingrente van €66.034.
  • 2Rechtbank verklaarde beroepen ongegrond maar verlaagde de boete ambtshalve wegens overschrijding van de redelijke termijn.
  • 3Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd.
  • 4Het hof verwierp dit standpunt: inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat hij stukken achterhield; dossier bevat geen aanwijzingen voor het tegendeel.
  • 5De uitspraak betreft zaaknummers 24/359 en 24/360 en is gewezen door de meervoudige belastingkamer van het Hof 's-Hertogenbosch.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat op de belastingplichtige de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de inspecteur stukken heeft achtergehouden, en dat een gemotiveerde betwisting door de inspecteur voldoende kan zijn om aan die bewijslast te ontkomen. Dit sluit aan bij de bestaande jurisprudentie over artikel 8:42 Awb.

Praktische impact

Belanghebbende B.V. blijft gehouden de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van €420.000 en de (reeds verminderde) verzuimboete te voldoen, alsmede de belastingrente van €66.034. De procedure heeft voor de vennootschap geen verlichting opgeleverd buiten de eerder door de rechtbank ambtshalve toegekende boetevermindering.

Onderwerp-impact

Voor ondernemingen die onroerend goed verkrijgen en betrokken zijn bij naheffingen overdrachtsbelasting, benadrukt deze uitspraak het belang van tijdige en volledige aangifte om verzuimboetes en hoge belastingrente te vermijden.

Samenvatting

In deze zaak legde de inspecteur van de Belastingdienst aan belanghebbende B.V. een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op van €420.000, een verzuimboete van €5.278 en belastingrente van €66.034. Belanghebbende maakte bezwaar, maar de inspecteur verklaarde de bezwaren ongegrond. Bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant werden de beroepen eveneens ongegrond verklaard; de rechtbank verlaagde de boete wel ambtshalve vanwege overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voerde belanghebbende aan dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd, in het bijzonder correspondentie over intern overleg. De inspecteur weerlegde dit gemotiveerd door uiteen te zetten dat de afspraken die waren gemaakt met de inspecteurs inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting een volledig afzonderlijk traject betroffen waarbij hij niet betrokken was. Het hof oordeelde dat belanghebbende er niet in was geslaagd aannemelijk te maken dat de inspecteur stukken had achtergehouden. Gelet op de gemotiveerde betwisting en het ontbreken van aanwijzingen in het dossier dat de situatie anders lag, slaagde dit onderdeel van het hoger beroep niet. De juridische kern van de zaak draait om de verdeling van de bewijslast bij de stukkenplicht van artikel 8:42 Awb: de belastingplichtige moet voldoende concreet onderbouwen dat bepaalde stukken bestaan en niet zijn overgelegd, voordat de inspecteur gehouden is nader verantwoording af te leggen. Deze uitspraak past in de lijn van bestaande rechtspraak en heeft als zodanig beperkte precedentwerking. Voor de praktijk betekent dit dat de naheffingsaanslag van €420.000 in stand blijft en belanghebbende de financiële gevolgen volledig draagt, afgezien van de reeds door de rechtbank toegekende boetevermindering.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1305Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1305, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01917

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1244Hoog
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1244, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02706

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied