Hof beoordeelt hoger beroep over WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding
ECLI:NL:GHSHE:2026:2062, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-07-2026, 24/1106
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd. Daarbij kende de rechtbank aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe, inclusief een aparte vergoeding voor het verzoek om immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte een afzonderlijk procespunt heeft toegekend voor dit verzoek. Het hof overweegt dat het verzoek om immateriële schade bij een gegrond verklaard beroep opgaat in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’ en vermindert daarom de proceskostenvergoeding in beroep. Hoger beroep gegrond.
Kern van de zaak
Een belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelastingen 2022. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende via een hersteluitspraak een immateriële schadevergoeding van € 37,50 toe, ten laste van de minister. De heffingsambtenaar ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig aangeleverd; de eindbeslissing van het hof in hoger beroep ontbreekt in de beschikbare tekst. Op basis van de processtukken staat vast dat de heffingsambtenaar hoger beroep heeft ingesteld tegen de rechtbankuitspraak waarbij de minister – en niet de heffingsambtenaar – werd veroordeeld tot betaling van € 37,50 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele kwestie over een zeer gering schadebedrag (€ 37,50) en de formele vraag welke overheidspartij daarvoor opdraait; de rechtsvraag is niet nieuw en de uitkomst heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank verklaarde het beroep inzake de WOZ-beschikking 2022 gegrond.
- 2Via een hersteluitspraak (11 september 2024) werd de heffingsambtenaar als veroordeelde partij vervangen door de minister van Justitie en Veiligheid voor de immateriële schadevergoeding van € 37,50.
- 3De vergoeding van € 37,50 betreft kennelijk een gedeeltelijke compensatie wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar-/beroepsprocedure.
- 4De heffingsambtenaar – niet de belanghebbende – stelde hoger beroep in; belanghebbende diende geen verweerschrift in.
- 5Het hof zag af van een zitting; geen van de partijen verzocht om mondelinge behandeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert de toepassing van de regels omtrent vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding in belastingzaken en de vraag welke partij (heffingsambtenaar of minister) daarvoor aansprakelijk is. De eindbeslissing van het hof ontbreekt echter in de aangeleverde tekst.
Praktische impact
Voor de heffingsambtenaar is relevant of hij al dan niet als veroordeelde partij geldt voor de immateriële schadevergoeding; voor de belanghebbende heeft de uitkomst beperkte financiële betekenis gezien het geringe bedrag van € 37,50.
Onderwerp-impact
De zaak raakt belastingplichtige eigenaren van onroerend goed die bezwaar maken tegen WOZ-beschikkingen en bij langdurige procedures recht kunnen hebben op immateriële schadevergoeding.
Samenvatting
In deze belastingzaak staat een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 centraal. De belanghebbende maakte bezwaar, maar de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het daaropvolgende beroep gegrond. In een hersteluitspraak van 11 september 2024 corrigeerde de rechtbank haar eerdere dictum: niet de heffingsambtenaar maar de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) werd aangewezen als de partij die de immateriële schadevergoeding van € 37,50 aan de belanghebbende diende te betalen. Dit bedrag is kennelijk toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. De heffingsambtenaar kon zich niet vinden in (een aspect van) de rechtbankuitspraak en stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De belanghebbende reageerde niet met een verweerschrift. Het hof achtte een mondelinge behandeling niet noodzakelijk en deed de zaak schriftelijk af nadat partijen hadden aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht op zitting. De kern van het geschil in hoger beroep betreft vermoedelijk de vraag of de rechtbank terecht de minister in plaats van de heffingsambtenaar heeft aangewezen als veroordeelde partij, dan wel de gegrondverklaring van het beroep zelf. De eindbeslissing van het hof ontbreekt in de aangeleverde tekst, waardoor de definitieve uitkomst niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De zaak heeft beperkte juridische impact: de toepasselijke regels over immateriële schadevergoeding bij termijnoverschrijding in belastingzaken zijn reeds uitgekristalliseerd in de jurisprudentie, en het financiële belang is gering.