Hof oordeelt over objectieve voordeelsverwachting vof-activiteiten
ECLI:NL:GHSHE:2026:1847, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-07-2026, : 24/1237 tot en met 24/1239
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Inkomstenbelasting. Belanghebbende neemt als vennoot deel in een vof waarin agrarische activiteiten plaatsvinden. In geschil is of de activiteiten van de vof voor belanghebbende in onderhavige jaren nog steeds een bron van inkomen vormen. Het hof is van oordeel dat dat het geval is.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige met een vof (vermoedelijk agrarische activiteiten) strijdt met de Belastingdienst over de vraag of de activiteiten kwalificeren als een bron van inkomen (onderneming). De inspecteur stelt dat geen objectieve voordeelsverwachting bestaat op basis van negatieve totaalwinst en CBS/WUR-data. Belanghebbende beroept zich op behaalde winsten en bijzondere omstandigheden zoals nostalgisch aangehouden vee.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch doet uitspraak over de bronbeoordeling voor de jaren 2019 en verder. De doorslaggevende overwegingen betreffen de correcte meename van administratiekosten na overlijden van een zoon en de wijze waarop boekwinsten en incidentele kostenposten in de bronbeoordeling worden betrokken; het hof volgt de inspecteur deels en corrigeert de rechtbank op het punt van de administratiekosten.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke belastingzaak over de bronbeoordeling in een individueel geval zonder principieel nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch en de uitspraak is vatbaar voor cassatie maar stelt geen fundamentele nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1De objectieve voordeelsverwachting wordt in beginsel beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden van het betreffende jaar, maar gegevens uit andere jaren mogen mede worden betrokken.
- 2Administratiekosten na het overlijden van de zoon worden – anders dan de rechtbank oordeelde – wél in de bronbeoordeling meegenomen, met uitzondering van kosten in 2020 (€ 4.918) en 2021 (€ 1.027) die zien op eerdere jaren.
- 3Boekwinsten uit 2009 worden door de inspecteur buiten de bronbeoordeling gelaten; belanghebbende betwist dit standpunt.
- 4De inspecteur onderbouwt het ontbreken van een objectieve voordeelsverwachting mede met branchedata van CBS en Wageningen University and Research.
- 5Negatief resultaat op nostalgisch aangehouden runderen (ca. € 20.068 over 2008-2021) wordt door belanghebbende als buiten de bronbeoordeling vallend aangemerkt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de bronbeoordeling bij agrarische activiteiten, met name hoe incidentele kostenposten en boekwinsten uit andere jaren worden gewogen bij de beoordeling van de objectieve voordeelsverwachting. De zaak staat open voor cassatie, zodat de Hoge Raad nadere richting kan geven.
Praktische impact
Voor belastingplichtigen met (neven)activiteiten in de agrarische sector betekent deze uitspraak dat bijzondere kostenposten zoals overlijdenskosten niet automatisch buiten de bronbeoordeling worden gehouden, en dat resultaten uit alle jaren kritisch worden gewogen door de inspecteur.
Onderwerp-impact
In de agrarische sector onderstreept dit arrest dat het exploiteren van vee om nostalgische redenen fiscaal risicovol is: verliezen op dergelijke activiteiten worden in beginsel meegenomen bij de beoordeling of sprake is van een winstbron.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch staat centraal of de activiteiten van een vof – vermoedelijk agrarisch van aard – kwalificeren als een fiscale bron van inkomen. De inspecteur stelt dat geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en onderbouwt dit met een analyse van de jaarwinsten over meerdere jaren, waarbij hij gebruik maakt van branchedata van het CBS en Wageningen University and Research. De totaalwinst komt volgens de inspecteur negatief uit, zeker na de door hem bepleite correcties. Belanghebbende voert aan dat de vof in 2019 winstgevend was, dat per saldo ook na 2019 positieve resultaten zijn behaald, en dat boekwinsten uit 2009 in de beoordeling dienen te worden betrokken. Verder stelt belanghebbende dat het hanteren van historische gemiddelden een onjuist uitgangspunt is en dat verliezen op nostalgisch aangehouden runderen (circa € 20.068 over 2008-2021) buiten de bronbeoordeling moeten blijven. Het hof overweegt dat de objectieve voordeelsverwachting in beginsel beoordeeld wordt aan de hand van het betreffende jaar, maar dat gegevens van andere jaren mede in aanmerking mogen worden genomen. Ten aanzien van de administratiekosten na het overlijden van de zoon oordeelt het hof anders dan de rechtbank: deze kosten worden in beginsel wél meegenomen in de bronbeoordeling. Alleen de administratiekosten in 2020 (€ 4.918) en 2021 (€ 1.027) die betrekking hebben op eerdere jaren kunnen als onvoorziene incidentele kosten worden aangemerkt en buiten beschouwing worden gelaten. De zaak illustreert de nuance waarmee incidentele kostenposten en resultaten uit andere jaren worden beoordeeld bij de vaststelling of een activiteit fiscaal als onderneming kwalificeert. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.