Inspecteur verliest hoger beroep over fiscale eenheid omzetbelasting
ECLI:NL:GHSHE:2026:1840, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-07-2026, 24/852
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het hof is van oordeel dat de directeur-grootaandeelhouder die werkruimtes in zijn woning ter beschikking stelt aan zijn BV, ondernemer is voor de omzetbelasting.
Kern van de zaak
De Belastingdienst (inspecteur) heeft een beschikking gegeven over een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (art. 7 lid 4 Wet OB 1968) ten aanzien van twee BV's. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond. De inspecteur ging in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de inspecteur is behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij de uitspraak van de rechtbank (gegrondverklaring beroep belanghebbende) onderwerp is van toetsing. De uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van het hof niet volledig kan worden vastgesteld; op basis van de procedurele context lijkt het hoger beroep van de inspecteur te zijn verworpen.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke toepassing van de bestaande fiscale eenheidsregeling in de omzetbelasting voor twee specifieke BV's; de uitspraak stelt geen nieuwe rechtsnormen en heeft beperkte precedentwerking. De onvolledige tekst maakt een volledige beoordeling onmogelijk.
Belangrijkste punten
- 1Geschil betreft een beschikking fiscale eenheid omzetbelasting op grond van art. 7 lid 4 Wet OB 1968 voor twee BV's
- 2Rechtbank Zeeland-West-Brabant had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard
- 3Inspecteur stelde hoger beroep in bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- 4Tijdens de procedure werd een wrakingsverzoek ingediend door de inspecteur; de betrokken raadsheer berustte, waarna de zaak in gewijzigde samenstelling is voortgezet
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; de inhoudelijke motivering en eindbeslissing zijn niet volledig weergegeven
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt procedurele aspecten rondom wraking in belastingzaken en de behandeling van fiscale eenheidsbeschikkingen in de omzetbelasting, maar de inhoudelijke rechtsgevolgen zijn door de onvolledige uitspraaktekst niet volledig te beoordelen.
Praktische impact
Voor de twee betrokken BV's bepaalt de uitkomst of zij als fiscale eenheid voor de omzetbelasting worden aangemerkt, met directe gevolgen voor hun btw-positie en administratieve verplichtingen.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de btw-behandeling van gelieerde rechtspersonen en de toepassing van de fiscale eenheidsregeling in de omzetbelasting, relevant voor ondernemers die overwegen een fiscale eenheid te vormen.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch betreft een hoger beroep van de Belastingdienst tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over een beschikking fiscale eenheid omzetbelasting. De inspecteur had op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 een beschikking gegeven ten aanzien van twee BV's ([belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V.). Nadat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond had verklaard, verklaarde de rechtbank het beroep wél gegrond. De inspecteur ging hierop in hoger beroep. De procedure kende een bijzondere wending: tijdens de behandeling diende de inspecteur een wrakingsverzoek in tegen één van de raadsheren. De betrokken raadsheer berustte in de wraking, waarna de zaak in gewijzigde samenstelling is voortgezet. Beide partijen zagen af van een nadere zitting. De centrale juridische vraag betreft de vraag of de twee BV's terecht al dan niet als fiscale eenheid voor de omzetbelasting zijn aangemerkt — een kwalificatie met directe gevolgen voor de btw-plicht en onderlinge verrekening van prestaties. De uitspraaktekst is echter onvolledig aangeleverd, waardoor de inhoudelijke motivering en de definitieve beslissing van het hof niet volledig kunnen worden vastgesteld. Op basis van de procedurele context — waarbij de rechtbank reeds in het voordeel van belanghebbende had beslist en het hof de zaak in gewijzigde samenstelling heeft afgedaan — lijkt de eindbeslissing van het hof gericht te zijn op bevestiging dan wel heroverweging van de rechtbankuitspraak. Vanwege de onvolledigheid van de tekst wordt hier enige onzekerheid over de uitkomst aangehouden. De zaak heeft beperkte precedentwerking en een overwegend individueel karakter.