Navordering belasting terecht bij verzwegen buitenlands dividend
ECLI:NL:GHSHE:2026:1799, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 24/1617
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 16, lid 1, artikel 27e, lid 1 en artikel 67e, lid 1 AWR Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 opgelegd en een beschikking vergrijpboete gegeven. Het hof oordeelt dat de inspecteur navorderingsbevoegd is, omdat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld, en dat de navorderingsaanslag, na toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast, niet te hoog is vastgesteld. De opgelegde vergrijpboete is passend en geboden. Het hoger beroep is ongegrond.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ontving bedragen op een Luxemburgse bankrekening uit een internationale vennootschapsstructuur (Ltd). Hij gaf deze bedragen niet op in zijn aangifte IB/PVV 2008 en stelde dat het schenkingen betrof. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op wegens kwade trouw.
Beslissing van de rechter
Het hof bevestigt de navorderingsaanslagen. Doorslaggevend is dat de belastingplichtige opzettelijk de juiste inlichtingen aan de inspecteur heeft onthouden (kwade trouw ex art. 16 lid 1 AWR), nu hij als indirect aandeelhouder dividenden ontving via een niet-transparante internationale structuur en deze bewust niet aangaf.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaande jurisprudentie over kwade trouw en navordering toe op een concrete casus; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld, maar de zaak heeft relevantie voor belastingplichtigen met vergelijkbare internationale structuren.
Belangrijkste punten
- 1Navordering op grond van art. 16 lid 1 laatste volzin AWR vereist kwade trouw: opzettelijk onthouden of verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de inspecteur.
- 2De rechtbank en het hof achten het buiten redelijke twijfel dat de ontvangen bedragen (€ 64.500 in 2008) dividend betreffen uit de vennootschapsstructuur via Ltd, niet schenkingen.
- 3Belanghebbende leverde geen enkel bewijs voor zijn stelling dat de bijschrijvingen als schenkingen moeten worden aangemerkt.
- 4De 'distribution resolutions' van de Foundation tonen aan dat dividend vanuit de vennootschapsstructuur werd uitgekeerd aan belanghebbende.
- 5De internationale, niet-transparante vennootschapsstructuur en het ontbreken van aangifte duiden op opzet, wat kwade trouw onderbouwt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het kwade trouw-criterium in art. 16 lid 1 AWR bij internationale vennootschapsstructuren en verzwegen buitenlandse inkomsten. Belastingplichtigen kunnen niet volstaan met een onbewezen alternatieve kwalificatie om navordering te ontlopen.
Praktische impact
Belastingplichtigen met belangen in buitenlandse vennootschapsstructuren lopen een reëel navorderingsrisico als buitenlandse inkomsten niet worden aangegeven; het hof vereist concreet bewijs voor alternatieve kwalificaties zoals schenkingen.
Onderwerp-impact
Voor belastingadviseurs en vermogensstructuurplanners benadrukt deze uitspraak het belang van volledige transparantie naar de Belastingdienst bij internationale structuren met Luxemburgse of andere buitenlandse rekeningen.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch staat de vraag centraal of de Belastingdienst terecht navorderingsaanslagen IB/PVV heeft opgelegd aan een belastingplichtige die in 2008 bedragen op een Luxemburgse bankrekening ontving vanuit een internationale vennootschapsstructuur. De belastingplichtige – indirect aandeelhouder van een Ltd – heeft deze bedragen niet opgenomen in zijn aangifte en stelde dat het om schenkingen ging van een gelieerde Foundation. De inspecteur betoogde dat sprake was van dividend en legde navorderingsaanslagen op op grond van kwade trouw. Het hof oordeelt dat navordering mogelijk is indien de belastingplichtige te kwader trouw is: dat wil zeggen wanneer hij opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt aan de inspecteur, conform artikel 16 lid 1 laatste volzin AWR. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het buiten redelijke twijfel is dat de ontvangen bedragen – in totaal € 64.500 in 2008, en vergelijkbare bedragen in 2007 – zijn aan te merken als dividend uit de vennootschapsstructuur. Dit volgt uit de 'distribution resolutions' van de Foundation, de inkomensverklaring bij de Rabobank, en de correspondentie van de toenmalige gemachtigde. De belastingplichtige heeft zijn alternatieve kwalificatie als schenking op geen enkele wijze met bewijs onderbouwd. De betrokkenheid bij een niet-transparante internationale structuur, gecombineerd met het bewust achterwege laten van aangifte, leidt tot de conclusie dat sprake is van opzet en daarmee kwade trouw. Het hoger beroep faalt. De uitspraak illustreert dat de Belastingdienst ook na het verstrijken van de reguliere navorderingstermijn kan ageren bij bewezen kwade trouw, en dat belastingplichtigen concreet bewijs moeten leveren voor afwijkende kwalificaties van ontvangen bedragen.