Hoger beroep pandhuishouder over btw-margeregeling ongegrond
ECLI:NL:GHSHE:2026:1798, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 24/1440
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 28b Wet OB. Anders dan belanghebbende meent, wordt de aankoopprijs onder de margeregeling niet vastgesteld aan de hand van het door belanghebbende (wederverkoper) opgeofferde bedrag.
Kern van de zaak
Een pandhuishouder (belanghebbende) procedeert over de berekening van de btw-marge bij het verkopen van pandgoederen. De vraag is of de pandbeleningsvergoeding die de pandhouder ontvangt, onderdeel uitmaakt van de aankoopprijs in de zin van de Europese btw-richtlijn (art. 312 lid 2 Richtlijn 2006/112/EG) en daarmee de marge verlaagt.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat de pandbeleningsvergoeding niet door de pandgever aan de pandhouder wordt betaald als tegenprestatie voor de levering van het goed, maar juist omgekeerd, en dus geen onderdeel uitmaakt van de aankoopprijs voor toepassing van de margeregeling.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor een specifieke, beperkte sector (pandhuizen en margeregeling), bevestigt bestaand recht en bevat geen nieuwe rechtsvragen; de afwijzing van prejudiciële verwijzing beperkt de bredere doorwerking.
Belangrijkste punten
- 1De aankoopprijs in de zin van art. 312 lid 2 Richtlijn 2006/112/EG omvat uitsluitend hetgeen de leverancier (pandgever) van de wederverkoper (pandhouder) verkrijgt of moet verkrijgen.
- 2De pandbeleningsvergoeding wordt door de pandgever áán de pandhouder betaald, niet omgekeerd, en valt daarmee buiten de aankoopprijs.
- 3Het beroep op paragraaf 7.3.2 van het Besluit Margeregeling slaagt niet, nu die bepaling op een wezenlijk andere situatie ziet, hetgeen de gemachtigde ter zitting erkende.
- 4Het hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
- 5De uitleg van het hof strookt met het doel van de btw: het belasten van de toegevoegde waarde (verkoopprijs minus beleensom).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de afbakening van het begrip 'aankoopprijs' in de btw-margeregeling voor pandhuishouders en bevestigt dat vergoedingen die de wederverkoper zelf ontvangt van de leverancier geen onderdeel zijn van de aankoopprijs. Een verzoek om prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU is afgewezen.
Praktische impact
Pandhuishouders kunnen de pandbeleningsvergoeding niet in mindering brengen op de aankoopprijs bij de margeregelingsberekening, waardoor de belastbare marge (en daarmee de verschuldigde btw) hoger uitvalt dan door belanghebbende bepleit.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening door pandhuizen heeft deze uitspraak directe gevolgen voor de wijze waarop de btw-marge wordt berekend bij verkoop van pandgoederen.
Samenvatting
In deze zaak heeft Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 juli 2026 uitspraak gedaan in een belastinggeschil over de toepassing van de btw-margeregeling op verkopen door een pandhuishouder. De kern van het geschil betrof de vraag of de zogenoemde pandbeleningsvergoeding — de vergoeding die de pandgever (de klant die een goed in pand geeft) aan de pandhouder betaalt — moet worden meegeteld als onderdeel van de aankoopprijs bij het bepalen van de belastbare marge. Belanghebbende betoogde dat de door haar opgeofferde of niet-ontvangen bedragen in mindering moeten worden gebracht op de aankoopprijs, hetgeen de marge en daarmee de verschuldigde btw zou verlagen. Het hof verwerpt dit standpunt. Onder verwijzing naar artikel 312 lid 2 van de Btw-richtlijn (2006/112/EG) stelt het hof vast dat de aankoopprijs uitsluitend omvat hetgeen de leverancier — in dit geval de pandgever — van de belastingplichtige wederverkoper verkrijgt of moet verkrijgen. De pandbeleningsvergoeding loopt echter in de tegengestelde richting: deze wordt betaald dóór de pandgever áán de pandhouder, niet omgekeerd. Reeds om die reden kan zij geen deel uitmaken van de aankoopprijs. Het hof voegt toe dat deze uitleg strookt met het doel van de btw: het belasten van de daadwerkelijk toegevoegde waarde, te weten het verschil tussen verkoopprijs en beleensom. Het beroep op paragraaf 7.3.2 van het Besluit Margeregeling — dat betrekking heeft op financieringstoeslagen waarover wél btw is verschuldigd — faalt eveneens, nu die situatie wezenlijk verschilt van die van de pandhouder, een conclusie die de gemachtigde ter zitting ook erkende. Het hof ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rentebeschikking blijft in stand.