JurispRadar
ECLI:NL:GHSHE:2026:1793Laag28/100

Geen integrale kostenvergoeding bezwaarfase accijnszaak

ECLI:NL:GHSHE:2026:1793, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 24/943 en 24/944

Gerechtshof 's-HertogenboschUitspraak: 8 juli 2026Publicatie: 8 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/943 en 24/944
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Handhaving
Vergunningen
Transport
Naheffingsaanslag
Proceskostenvergoeding
Bezwaarfase
Douane
Accijns

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Haar bezwaar tegen deze naheffingsaanslag is gegrond verklaard. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de proceskosten. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Kern van de zaak

Belanghebbende ontving naheffingsaanslagen accijns na minderbevindingen bij 27 zendingen accijnsgoederen die via Antwerpen naar derde landen werden verscheept. Na gegrondverklaring van het bezwaar kende de inspecteur een forfaitaire proceskostenvergoeding toe (€ 1.060, wegingsfactor zwaar). Belanghebbende vordert een integrale vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase én de fase vóór oplegging van de naheffingsaanslagen.

Beslissing van de rechter

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing van de integrale kostenvergoeding in stand; het hof buigt zich over de vraag of recht bestaat op integrale vergoeding. Op basis van de beschikbare tekst is de uitkomst van het hoger beroep onzeker, maar het geschil betreft uitsluitend de omvang van de kostenvergoeding na een reeds gegrond bevonden bezwaar.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijk specifieke zaak over de omvang van een proceskostenvergoeding in een accijnszaak; de uitkomst heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare douanegeschillen en volgt gevestigde Bpb-jurisprudentie.

Belangrijkste punten

  • 1Bezwaar tegen naheffingsaanslagen accijns was gegrond: inspecteur kon onttrekkingstijdstip bij 27 zendingen niet vaststellen.
  • 2Forfaitaire kostenvergoeding van € 1.060 (Bpb, wegingsfactor 2 – zwaar) toegekend in de uitspraak op bezwaar.
  • 3Belanghebbende claimt integrale kostenvergoeding voor zowel de bezwaarfase als de vooraankondigingsfase.
  • 4Rechtbank verklaarde beroep ongegrond: forfaitaire vergoeding volstaat.
  • 5Hoger beroep bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch richt zich op de vraag of bijzondere omstandigheden een integrale vergoeding rechtvaardigen.

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 2 lid 3 Bpb (integrale kostenvergoeding bij bijzondere omstandigheden) in accijns- en douanezaken, en de vraag of kosten gemaakt vóór formele bezwaarindiening voor vergoeding in aanmerking komen.

Praktische impact

Voor importeurs en douane-expediteurs die succesvol bezwaar maken tegen naheffingsaanslagen blijft de drempel voor integrale kostenvergoeding hoog; de uitkomst bepaalt of uitgebreide juridische begeleiding in de vooraankondigingsfase vergoed kan worden.

Onderwerp-impact

In de transport- en logistieke sector, waar accijnsschorsingsregelingen en internationale zeevrachtzendingen gebruikelijk zijn, beïnvloedt dit oordeel de financiële risicocalculatie bij douanegeschillen.

Samenvatting

Deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch draait om de vraag of een belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van advocaatkosten na een succesvol bezwaar in een accijnszaak. De achtergrond is als volgt: bij 27 zendingen accijnsgoederen die onder een accijnsschorsingsregeling van een Nederlandse locatie naar Antwerpen werden vervoerd en vervolgens per zeeschip naar derde landen werden verscheept, constateerden buitenlandse douane-autoriteiten minderbevindingen. De Nederlandse Douane legde naheffingsaanslagen op. In bezwaar erkende de inspecteur dat hij het moment van onttrekking niet kon vaststellen en verklaarde het bezwaar gegrond. Bij de uitspraak op bezwaar kende de inspecteur een forfaitaire proceskostenvergoeding toe van € 1.060, waarbij de hoogste wegingsfactor 'zwaar' werd gehanteerd conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende vond dit onvoldoende en verzocht om integrale vergoeding van alle kosten voor rechtsbijstand, inclusief de fase vóór de formele bezwaarindiening (de vooraankondigingsfase). De inspecteur wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing in stand. In hoger beroep vraagt het hof zich af of er sprake is van bijzondere omstandigheden die een integrale kostenvergoeding ex artikel 2 lid 3 Bpb rechtvaardigen, en of kosten uit de vooraankondigingsfase als bezwaarkosten kunnen worden aangemerkt. De beschikbare tekst laat de eindbeslissing van het hof niet volledig zien, maar de juridische kern is helder: de lat voor een integrale vergoeding ligt hoog en vereist aantoonbaar onrechtmatig of verwijtbaar overheidshandelen. De zaak is relevant voor douane- en accijnspraktijk, maar heeft beperkte bredere precedentwerking.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 21 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00280

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied