Geen integrale kostenvergoeding bezwaarfase accijnszaak
ECLI:NL:GHSHE:2026:1793, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 24/943 en 24/944
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Haar bezwaar tegen deze naheffingsaanslag is gegrond verklaard. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de proceskosten. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Kern van de zaak
Belanghebbende ontving naheffingsaanslagen accijns na minderbevindingen bij 27 zendingen accijnsgoederen die via Antwerpen naar derde landen werden verscheept. Na gegrondverklaring van het bezwaar kende de inspecteur een forfaitaire proceskostenvergoeding toe (€ 1.060, wegingsfactor zwaar). Belanghebbende vordert een integrale vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase én de fase vóór oplegging van de naheffingsaanslagen.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing van de integrale kostenvergoeding in stand; het hof buigt zich over de vraag of recht bestaat op integrale vergoeding. Op basis van de beschikbare tekst is de uitkomst van het hoger beroep onzeker, maar het geschil betreft uitsluitend de omvang van de kostenvergoeding na een reeds gegrond bevonden bezwaar.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk specifieke zaak over de omvang van een proceskostenvergoeding in een accijnszaak; de uitkomst heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare douanegeschillen en volgt gevestigde Bpb-jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Bezwaar tegen naheffingsaanslagen accijns was gegrond: inspecteur kon onttrekkingstijdstip bij 27 zendingen niet vaststellen.
- 2Forfaitaire kostenvergoeding van € 1.060 (Bpb, wegingsfactor 2 – zwaar) toegekend in de uitspraak op bezwaar.
- 3Belanghebbende claimt integrale kostenvergoeding voor zowel de bezwaarfase als de vooraankondigingsfase.
- 4Rechtbank verklaarde beroep ongegrond: forfaitaire vergoeding volstaat.
- 5Hoger beroep bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch richt zich op de vraag of bijzondere omstandigheden een integrale vergoeding rechtvaardigen.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 2 lid 3 Bpb (integrale kostenvergoeding bij bijzondere omstandigheden) in accijns- en douanezaken, en de vraag of kosten gemaakt vóór formele bezwaarindiening voor vergoeding in aanmerking komen.
Praktische impact
Voor importeurs en douane-expediteurs die succesvol bezwaar maken tegen naheffingsaanslagen blijft de drempel voor integrale kostenvergoeding hoog; de uitkomst bepaalt of uitgebreide juridische begeleiding in de vooraankondigingsfase vergoed kan worden.
Onderwerp-impact
In de transport- en logistieke sector, waar accijnsschorsingsregelingen en internationale zeevrachtzendingen gebruikelijk zijn, beïnvloedt dit oordeel de financiële risicocalculatie bij douanegeschillen.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch draait om de vraag of een belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van advocaatkosten na een succesvol bezwaar in een accijnszaak. De achtergrond is als volgt: bij 27 zendingen accijnsgoederen die onder een accijnsschorsingsregeling van een Nederlandse locatie naar Antwerpen werden vervoerd en vervolgens per zeeschip naar derde landen werden verscheept, constateerden buitenlandse douane-autoriteiten minderbevindingen. De Nederlandse Douane legde naheffingsaanslagen op. In bezwaar erkende de inspecteur dat hij het moment van onttrekking niet kon vaststellen en verklaarde het bezwaar gegrond. Bij de uitspraak op bezwaar kende de inspecteur een forfaitaire proceskostenvergoeding toe van € 1.060, waarbij de hoogste wegingsfactor 'zwaar' werd gehanteerd conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende vond dit onvoldoende en verzocht om integrale vergoeding van alle kosten voor rechtsbijstand, inclusief de fase vóór de formele bezwaarindiening (de vooraankondigingsfase). De inspecteur wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing in stand. In hoger beroep vraagt het hof zich af of er sprake is van bijzondere omstandigheden die een integrale kostenvergoeding ex artikel 2 lid 3 Bpb rechtvaardigen, en of kosten uit de vooraankondigingsfase als bezwaarkosten kunnen worden aangemerkt. De beschikbare tekst laat de eindbeslissing van het hof niet volledig zien, maar de juridische kern is helder: de lat voor een integrale vergoeding ligt hoog en vereist aantoonbaar onrechtmatig of verwijtbaar overheidshandelen. De zaak is relevant voor douane- en accijnspraktijk, maar heeft beperkte bredere precedentwerking.