JurispRadar
ECLI:NL:GHSHE:2026:1791Laag22/100

Hoger beroep belastingaanslag nabetaling WW-uitkering ongegrond

ECLI:NL:GHSHE:2026:1791, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 25/131

Gerechtshof 's-HertogenboschUitspraak: 8 juli 2026Publicatie: 8 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:25/131
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Schadevergoeding
Overheid
Financiele Dienstverlening
Inkomstenbelasting
Nabetaling Ww
Kasstelsel
Schadevergoeding Bestuursrecht
Middelingsregeling

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Artikel 3.146 van de Wet IB 2001 Het hof heeft eerder geoordeeld dat belanghebbende verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, in tegenstelling tot een eerder genomen besluit door de inspecteur. Het hof is van oordeel dat ondanks het van oorsprong onrechtmatig genomen besluit de ontvangen nabetaling van de werkeloosheidsuitkering belast is in het jaar 2020.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige ontving in 2020 een nabetaling van WW-uitkering over de jaren 2017-2019, nadat een eerder besluit over haar verzekeringsplicht voor werknemersverzekeringen onrechtmatig bleek. Zij bestreed de aanslag IB/PVV 2020 en verzocht om schadevergoeding wegens de gevolgen van het oorspronkelijk onrechtmatige besluit.

Beslissing van de rechter

Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en kent geen schadevergoeding toe. De doorslaggevende reden is dat de nabetaling van de WW-uitkering in 2020 terecht als belastbaar inkomen in dat jaar is aangemerkt, en dat het onrechtmatige karakter van het oorspronkelijke verzekeringsplichtige besluit niet maakt dat de aanslag IB/PVV 2020 onjuist is vastgesteld.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande, vaste rechtspraak toe over het kasstelsel en de bevoegdheidsverdeling tussen bestuurs- en civiele rechter; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en het betreft een individueel fiscaal geschil zonder bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Nabetaling WW-uitkering over 2017-2019, ontvangen in 2020, is belastbaar in het jaar van ontvangst (2020) op grond van artikel 3.101 lid 1 sub a Wet IB 2001.
  • 2Het onrechtmatig tot stand gekomen besluit over de verzekeringsplicht werknemersverzekering tast de rechtmatigheid van de aanslag IB/PVV 2020 niet aan.
  • 3De bestuursrechter is niet bevoegd schadevergoeding toe te kennen bij ongegrond beroep (artikel 8:73 oud Awb); belanghebbende dient zich voor schadeclaims tot de civiele rechter te wenden.
  • 4Het hof wijst ten overvloede op de middelingsregeling (artikel 3.154 Wet IB 2001) als mogelijk fiscaal voordelig alternatief.
  • 5Geen griffierecht vergoed en geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt het kasstroomprincipe voor belastingheffing op nabetalingen: het jaar van ontvangst is bepalend, ongeacht de oorsprong van het onderliggende recht. De route voor schadeclaims wegens onrechtmatig overheidshandelen blijft voorbehouden aan de civiele rechter wanneer het belastingberoep ongegrond is.

Praktische impact

Belastingplichtigen die door onrechtmatig overheidshandelen grote nabetalingen in één jaar ontvangen, worden in dat jaar zwaarder belast en kunnen dit niet via de belastingrechter rechtzetten; zij zijn aangewezen op de civiele rechter voor schadevergoeding én kunnen eventueel gebruikmaken van de middelingsregeling.

Onderwerp-impact

Voor uitkeringsgerechtigden die te maken krijgen met terugwerkende kracht nabetalingen van sociale uitkeringen door overheidsfouten, verduidelijkt deze uitspraak dat fiscale en schaderechtelijke routes strikt gescheiden zijn.

Samenvatting

Deze zaak betreft een belastingplichtige die in 2020 een nabetaling van WW-uitkering ontving over de jaren 2017 tot en met 2019. De nabetaling was het gevolg van een oorspronkelijk onrechtmatig besluit van de Belastingdienst over haar verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. De belastingplichtige bestreed de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020 en vroeg tevens om schadevergoeding voor geleden schade, waaronder verlies van zorgtoeslag en teveel geheven belasting. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het hof stelt vast dat de nabetaling van de WW-uitkering, hoe deze ook is ontstaan, op grond van artikel 3.101 lid 1 sub a Wet IB 2001 belastbaar is in het jaar van ontvangst, te weten 2020. Het feit dat het onderliggende besluit over de werknemersverzekering onrechtmatig tot stand is gekomen, doet aan de rechtmatigheid van de aanslag IB/PVV 2020 niet af. De inspecteur heeft de aanslag dan ook correct vastgesteld. Ten aanzien van de gevraagde schadevergoeding oordeelt het hof dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:73 (oud) Awb uitsluitend bevoegd is schadevergoeding toe te kennen bij een gegrond beroep. Nu het beroep ongegrond is, komt de bestuursrechter hier niet aan toe. Voor schadeclaims wegens onrechtmatig overheidshandelen dient de belastingplichtige zich te wenden tot de civiele rechter. Ten overvloede attendeert het hof de belastingplichtige op de middelingsregeling van artikel 3.154 Wet IB 2001, die mogelijk toepassing kan vinden om de piekbelasting in 2020 te verzachten. Griffierecht en proceskosten worden niet vergoed. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 21 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00280

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied