Tweede navorderingsaanslag IB 2007 na FIOD-informatie beoordeeld
ECLI:NL:GHSHE:2026:1723, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 01-07-2026, 24/1172
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Navorderingsaanslag IB/PVV 2007. Hoger beroep wordt door het hof ongegrond verklaard. Diverse geschilpunten. Het hof is van oordeel: dat in het midden kan worden gelaten of het afgeleid verschoningsrecht is geschonden, dat artikel 8:42 Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet zijn geschonden, dat belanghebbende in 2007 terecht als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, dat navordering mogelijk was omdat er sprake was van een nieuw feit danwel belanghebbende in zoverre te kwader trouw was, de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag voldoende voortvarend heeft gehandeld, de schatting van het belastbaar inkomen redelijk is geweest en belanghebbende het verlangde tegenbewijs niet heeft geleverd.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ontving in 2020 een tweede navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007, waarbij zijn verzamelinkomen werd vastgesteld op ruim €11,5 miljoen. De aanslag volgde op informatie van de FIOD uit een strafrechtelijk onderzoek naar zijn belastingadviseur. De inspecteur verklaarde zich tevens niet langer gebonden aan een eerder gesloten vaststellingsovereenkomst.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de zaak inhoudelijk behandeld; de exacte einduitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig, maar de procedure betreft de rechtmatigheid van de tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2007 en de gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst. De doorslaggevende vragen zijn of de inspecteur over een nieuw feit beschikte op grond van de FIOD-informatie en of de vaststellingsovereenkomst kon worden ontbonden wegens onjuiste informatieverstrekking door belanghebbende.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een substantieel fiscaal geschil met omvangrijke bedragen en raakt relevante vragen over navordering en vaststellingsovereenkomsten, maar is sterk casuïstisch van aard en beperkt tot het hof; geen Hoge Raad-uitspraak met richtinggevende precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Inspecteur legde in 2020 een tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2007 op na ontvangst van FIOD-informatie uit een strafrechtelijk onderzoek tegen belastingadviseur.
- 2Vastgesteld verzamelinkomen bedraagt na uitspraak op bezwaar €11.577.645, opgebouwd uit o.a. €7,6 miljoen resultaat uit overige werkzaamheden (overdracht IE-rechten) en €3,5 miljoen overig.
- 3Inspecteur acht zich niet langer gebonden aan de eerder gesloten vaststellingsovereenkomst, met een beroep op de ontbindingsclausule wegens (gesteld) onjuist of onvolledig informeren door belanghebbende.
- 4Centrale juridische vragen: vereiste 'nieuw feit' voor navordering, geldigheid van de vaststellingsovereenkomst en eventuele ontbinding daarvan.
- 5Heffingsrente van ruim €2,3 miljoen is mede in geschil, gekoppeld aan de hoogte van de navorderingsaanslag.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de grenzen van het navorderingsrecht (art. 16 AWR), met name de vraag of door FIOD-informatie verkregen gegevens als 'nieuw feit' kwalificeren, alsmede de reikwijdte van ontbindingsclausules in fiscale vaststellingsovereenkomsten. De uitkomst kan richting geven aan de wijze waarop strafrechtelijk verkregen informatie fiscaalrechtelijk mag worden gebruikt voor navordering.
Praktische impact
Voor belanghebbende staat een navorderingsaanslag van meerdere miljoenen euro's, inclusief heffingsrente, op het spel. De uitkomst bepaalt tevens of de eerder bereikte fiscale schikking via de vaststellingsovereenkomst definitief van de baan is.
Onderwerp-impact
De zaak raakt de financiële dienstverlening en belastingadvies, nu de navorderingsaanslag voortvloeit uit een strafrechtelijk onderzoek naar een belastingadviseur en de overdracht van intellectuele eigendomsrechten aan een buitenlandse LLC centraal staat.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch draait om de rechtmatigheid van een tweede navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het belastingjaar 2007, opgelegd op 29 december 2020. De aanleiding voor deze aanslag was informatie die de Belastingdienst op 8 december 2020 ontving van de FIOD, afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek naar een belastingadviseur. In de in beslag genomen administratie van die adviseur werden documenten en bestanden aangetroffen die betrekking hadden op belanghebbende. Op basis hiervan stelde de inspecteur het verzamelinkomen van belanghebbende aanvankelijk vast op ruim €12,8 miljoen. Na bezwaar werd dit verlaagd tot €11.577.645, opgebouwd uit onder meer €7,6 miljoen aan resultaat uit overige werkzaamheden wegens de overdracht van intellectuele eigendomsrechten aan een buitenlandse LLC, en een bedrag van €3,5 miljoen aan overige inkomsten. Tegelijkertijd verklaarde de inspecteur zich niet langer gebonden aan een eerder met belanghebbende gesloten vaststellingsovereenkomst (VSO), met een beroep op de ontbindingsclausule: die bepaalde dat de Belastingdienst de overeenkomst kon ontbinden indien zou blijken dat belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt. De centrale juridische vragen in deze procedure zijn of de FIOD-informatie als een 'nieuw feit' in de zin van artikel 16 AWR kan gelden – wat vereist is voor een rechtmatige navorderingsaanslag – en of de inspecteur de VSO rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden. Daarnaast is de in rekening gebrachte heffingsrente van ruim €2,3 miljoen in geschil. Hoewel de volledige uitspraak op basis van de beschikbare tekst niet kan worden vastgesteld, illustreert de zaak de spanning tussen de bescherming van belastingplichtigen via gesloten schikkingen enerzijds en de mogelijkheid tot correctie bij fiscale fraude anderzijds.