WAZ-uitkering in België belastbaar door fiscale faciliëring Nederland
ECLI:NL:GHSHE:2026:1644, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-06-2026, 25/302
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Inkomstenbelasting. Belanghebbende is woonachtig in Portugal en ontvangt een WAZ-uitkering van het UWV. Het hof oordeelt dat een WAZ-uitkering niet vergelijkbaar is met een AOW-uitkering. De WAZ-uitkering valt onder artikel 18 lid 2 van het Verdrag Nederland-Portugal. De cumulatieve voorwaarden van dit artikel zijn vervuld: de aanspraak is fiscaal gefaciliteerd in Nederland, de uitkering wordt in Portugal niet tegen het normale tarief belast en de WAZ-uitkering is hoger dan € 10.000. Nederland is heffingsbevoegd over de WAZ-uitkering.
Kern van de zaak
Een in België wonende belanghebbende ontvangt een Nederlandse WAZ-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen). De inspecteur stelt dat Nederland heffingsbevoegd is omdat de WAZ-premies in de opbouwfase fiscaal aftrekbaar waren. Belanghebbende beroept zich op een Hoge Raad-arrest over AOW-uitkeringen om heffing in de bronstaat te betwisten.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart het standpunt van de inspecteur gegrond: Nederland is heffingsbevoegd over de WAZ-uitkering op grond van artikel 18, lid 2, van het Nederlands-Belgisch belastingverdrag, omdat de WAZ-premies in de opbouwfase fiscaal aftrekbaar waren en daarmee sprake is van fiscale faciliëring. Het beroep op het Hoge Raad-arrest over AOW wordt verworpen, omdat bij de WAZ – anders dan bij de AOW – de premiebetaling wél een aanspraak doet ontstaan, zodat de situaties wezenlijk verschillen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte maar duidelijke praktische relevantie voor een specifieke groep grensarbeiders (voormalig zelfstandigen met WAZ-uitkering in België) en verduidelijkt een onderscheid ten opzichte van bestaande Hoge Raad-jurisprudentie, maar stelt geen nieuwe rechtsregel vast.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 18, lid 2, verdrag Nederland-België: bronstaat mag heffen indien aanspraak fiscaal gefacilieerd was (vrijstelling of premieaftrek).
- 2WAZ-premies waren in de opbouwfase aftrekbaar voor de inkomstenbelasting, hetgeen kwalificeert als fiscale faciliëring.
- 3Bij de WAZ ontstaat door premiebetaling een aanspraak; dit onderscheidt de WAZ wezenlijk van de AOW.
- 4Het Hoge Raad-arrest over AOW-uitkeringen is niet van toepassing, omdat bij de AOW geen aanspraak wordt verworven door premiebetaling.
- 5Parlementaire geschiedenis bevestigt dat de WAZ is opgezet conform het aanspraakenbeginsel: geen belasting over premie, belasting over uitkering.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de fiscale kwalificatie van de WAZ (aanspraakverwervend) beslissend is voor de toewijzing van heffingsbevoegdheid onder het Belgisch-Nederlands verdrag, en dat het AOW-precedent van de Hoge Raad niet analoog geldt voor andere sociale verzekeringen waarbij wél een aanspraak wordt opgebouwd.
Praktische impact
In België wonende (voormalig) zelfstandigen die een Nederlandse WAZ-uitkering ontvangen, kunnen geen geslaagd beroep doen op het AOW-arrest om heffing in Nederland te vermijden; hun uitkering blijft belastbaar in Nederland als bronstaat.
Onderwerp-impact
Voor grensoverschrijdende arbeidsongeschiktheidssituaties van zelfstandigen wordt bevestigd dat de Nederlandse heffingsbevoegdheid over WAZ-uitkeringen overeind blijft zolang de premies destijds aftrekbaar waren.
Samenvatting
Deze zaak betreft een in België woonachtige belastingplichtige die een Nederlandse WAZ-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) ontvangt. De inspecteur stelt dat Nederland als bronstaat heffingsbevoegd is op grond van artikel 18, lid 2, van het belastingverdrag Nederland-België, omdat de WAZ-premies tijdens de opbouwfase aftrekbaar waren voor de Nederlandse inkomstenbelasting en daarmee fiscaal gefacilieerd zijn. Belanghebbende betoogt dat Nederland niet mag heffen, mede onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad over AOW-uitkeringen, waarin de Hoge Raad oordeelde dat AOW-premiebetaling geen aanspraak doet ontstaan en er derhalve geen sprake is van fiscale faciliëring in de zin van het verdrag. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stelt de inspecteur in het gelijk. Het hof overweegt dat artikel 18, lid 2, van het verdrag vereist dat de aanspraak was vrijgesteld of dat de premies fiscaal aftrekbaar waren in de bronstaat. Uit de parlementaire geschiedenis bij het verdrag volgt dat hieraan is voldaan indien de premies in de opbouwfase bij de berekening van het belastbaar inkomen in aftrek konden worden gebracht. Aan die voorwaarde is bij de WAZ voldaan: de WAZ-premies waren aftrekbaar, en dit is door de wetgever uitdrukkelijk in overeenstemming gebracht met het aanspraakenbeginsel — geen belasting over de premie (aanspraak), wél belasting over de uitkering. Het hof verwerpt het beroep op het AOW-arrest van de Hoge Raad. Dat arrest betreft een wezenlijk andere situatie: bij de AOW verwerft de premiebetaler géén aanspraak, terwijl bij de WAZ door premiebetaling wél een aanspraak wordt opgebouwd. Dit structurele verschil maakt dat het AOW-precedent niet van toepassing is op de WAZ. De uitspraak heeft beroep in cassatie opengesteld bij de Hoge Raad.