Hof beoordeelt naheffing BPM op geïmporteerde auto
ECLI:NL:GHSHE:2026:1531, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-06-2026, 24/459
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Samenvatting: Naheffing bpm, hoger beroep inspecteur. Het model van de onderhavige auto kent zowel een bestel- als een personenautovariant. De auto is een personenauto, maar de taxatierapporten van zowel belanghebbende als van DRZ zijn gebaseerd op de bestelautovariant. Naar oordeel van het hof zijn de taxatierapporten toch een geschikte basis voor het toepassen van de afschrijving op basis van de taxatiemethode. In het taxatierapport is bij het taxeren van de handelsinkoopwaarde echter geen rekening gehouden met een bpm-component en ook geen rekening gehouden met het feit dat de waarde van de personenautovariant wordt gedrukt door een hogere motorrijtuigenbelasting. Het hof stelt de door DRZ getaxeerde handelsinkoopwaarde daarom in goede justitie naar boven bij. Het hoger beroep van de inspecteur is daarmee gegrond. Verder oordeelt het hof over de puntwaarde bij het bepalen van de vergoeding van de kosten van bezwaar en een verzoek tot vergoeding van immateriële schade.
Kern van de zaak
Een BV (importeur) heeft BPM op aangifte voldaan bij de registratie van een voertuig. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag BPM op, die door de rechtbank deels werd gecorrigeerd. Zowel de inspecteur als de belanghebbende gingen in hoger beroep over de vastgestelde handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het hoger beroep van de inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende behandeld; de uitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar centraal staat de juiste vaststelling van de handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs voor de BPM-berekening. De rechtbank had het beroep van belanghebbende eerder gegrond verklaard op basis van de taxatie van DRZ.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk belastinggeschil over de BPM-grondslag in een individuele naheffingszaak; de uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare feitenconstellaties en is gewezen door een gerechtshof zonder fundamentele rechtsvraag.
Belangrijkste punten
- 1Naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur na aangifte van € 3.750 op 6 augustus 2020.
- 2De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde de handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs vast op basis van de DRZ-taxatie.
- 3Zowel de inspecteur (principaal) als de belanghebbende (incidenteel) gingen in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
- 4Kern van het geschil: of de koerslijst voor de bestelautovariant terecht is gebruikt voor de personenautovariant bij het bepalen van de BPM-grondslag.
- 5De historische nieuwprijs wordt berekend door de netto catalogusprijs te vermeerderen met BTW en de verschuldigde BPM.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de wijze waarop de handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs worden bepaald bij BPM-naheffingen, in het bijzonder wanneer geen directe koerslijst beschikbaar is voor de exacte voertuigvariant. De toelaatbaarheid van het gebruik van een vergelijkbare (bestel)autokoerslijst voor een personenauto staat centraal.
Praktische impact
Voor importeurs van voertuigen waarvoor geen directe koerslijst bestaat, biedt deze zaak inzicht in de mate waarin vergelijkbare voertuigvarianten als referentie mogen dienen bij de BPM-aangifte. Een ongunstige uitkomst kan leiden tot aanzienlijke naheffingen plus belastingrente.
Onderwerp-impact
In de automotive importmarkt heeft deze uitspraak gevolgen voor de wijze waarop BPM wordt berekend bij voertuigen waarvoor de koerslijst niet één-op-één beschikbaar is, wat relevant is voor een brede groep importeurs en belastingplichtigen in de transport- en retailsector.
Samenvatting
In deze zaak staat een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) centraal, opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst aan een BV die op 6 augustus 2020 op aangifte een bedrag van € 3.750 aan BPM had voldaan. De inspecteur was van oordeel dat te weinig BPM was aangegeven en legde een naheffingsaanslag op, vergezeld van een belastingrente-beschikking. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van de BV gegrond en stelde de handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs vast overeenkomstig de taxatie van DRZ (Dienst Roerende Zaken). Zowel de inspecteur als de BV lieten zich niet bij deze uitspraak neerleggen: de inspecteur stelde principaal hoger beroep in, de BV incidenteel hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Kern van het geschil is de vraag of de koerslijst behorend bij de bestelautovariant terecht mocht worden gehanteerd voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde en de netto catalogusprijs van de personenautovariant. De BV verdedigde dit gebruik door te wijzen op de vergelijkbaarheid van beide varianten, hetgeen ook de keuze van zowel haar eigen taxateur als van DRZ zou verklaren. Verder betwistte de BV de door DRZ getaxeerde handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs. De historische nieuwprijs dient volgens de BV te worden berekend door de netto catalogusprijs te verhogen met BTW en de voor het voertuig verschuldigde BPM. De volledige inhoudelijke beslissing van het hof is op basis van de beschikbare tekst niet kenbaar, omdat de uitspraak is afgebroken. De zaak illustreert de complexiteit van BPM-berekeningen bij voertuigen waarvoor geen exacte koerslijst beschikbaar is en benadrukt het belang van een deugdelijke taxatiemethode. De uitkomst is van belang voor importeurs die met vergelijkbare waarderingsvragen worden geconfronteerd.