JurispRadar
ECLI:NL:GHSHE:2026:1437Laag18/100

Hof behandelt WOZ-waarde zorgcentrum in voormalig klooster

ECLI:NL:GHSHE:2026:1437, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-06-2026, 24/1908

Gerechtshof 's-HertogenboschUitspraak: 3 juni 2026Publicatie: 4 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/1908
Bestuursrecht
Belastingrecht
Zorg
Vergunningen
Woz
Onroerendezaakbelasting
Ozb
Zorgcentrum
Huurder Gebruiker

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Hoogte proceskostenvergoeding. Toepassing artikel 30a Wet WOZ. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en heeft heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van het beroep - onder toepassing van artikel 30a Wet WOZ - ten bedrage van € 676,88. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de rechtbank artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing had moeten laten, omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het hof oordeelt dat artikel 30a Wet WOZ niet in strijd is met hogere regelgeving, zoals het (Unierechtelijke) doeltreffendheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod.

Kern van de zaak

Belanghebbende BV, huurder van een zorgcentrum in een voormalig klooster (bouwjaar 1952, later uitgebreid), betwist de WOZ-beschikking en OZB-aanslag 2023 die door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Oost-Brabant is opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, waarna belanghebbende zelf hoger beroep instelde bij het hof.

Beslissing van de rechter

De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, maar de inhoud van de beslissing ontbreekt in de aangeleverde tekst waardoor de uitkomst van het hoger beroep niet kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare informatie is onzeker of het hoger beroep gegrond of ongegrond is verklaard.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele WOZ-procedure over één zorgobject zonder aanwijzingen van bredere rechtsvraagstelling; de uitspraaktekst is bovendien onvolledig waardoor de reikwijdte niet volledig beoordeeld kan worden.

Belangrijkste punten

  • 1Belanghebbende is huurder (gebruiker) van het zorgcentrum en daarmee WOZ-plichtig als gebruiker
  • 2Het object betreft een voormalig klooster (bouwjaar 1952) met aanbouwen uit 1961, 1981 en 1994, in gebruik als verzorgingstehuis sinds 2014
  • 3De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep eerder gegrond (uitspraak 21 november 2024)
  • 4Zitting is achterwege gebleven; beide partijen zagen af van het recht gehoord te worden
  • 5De tekst van de beslissing is onvolledig; de inhoudelijke motivering en uitkomst ontbreken

Impactanalyse

Juridische impact

Vanwege de onvolledigheid van de aangeleverde uitspraaktekst kan de juridische impact niet worden vastgesteld; het betreft een WOZ-zaak over de waardebepaling van een zorgcentrum met mogelijk relevantie voor de waarderingsmethode van gecombineerde zorgobjecten.

Praktische impact

Voor belanghebbende als huurder-gebruiker heeft de uitkomst directe gevolgen voor de hoogte van de OZB-aanslag 2023; bij een succesvolle betwisting van de WOZ-waarde daalt de belastingaanslag navenant.

Onderwerp-impact

Voor zorginstellingen die onroerend goed huren en als WOZ-gebruiker worden aangeslagen, is de wijze waarop historische en gefaseerd uitgebreide gebouwen worden gewaardeerd van praktisch belang.

Samenvatting

Deze zaak betreft een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over de WOZ-waardering van een zorgcentrum gevestigd in een voormalig klooster te Oost-Brabant. Belanghebbende, een BV die het pand huurt en daarmee als gebruiker WOZ-plichtig is, betwist de door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Oost-Brabant vastgestelde WOZ-beschikking en de bijbehorende OZB-aanslag voor het jaar 2023. Het object is een voormalig klooster uit 1952, dat in de loop der jaren is uitgebreid met aanbouwen uit 1961, 1981 en 1994, en in 2014 de functie van verzorgingstehuis heeft gekregen. De opstallen omvatten verzorgingsruimtes, woonruimtes, centrale voorzieningen en een vrijstaande berging. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep op 21 november 2024 gegrond, waarna belanghebbende – kennelijk op zoek naar een verdergaande verlaging van de WOZ-waarde – zelf hoger beroep instelde bij het hof. De heffingsambtenaar voerde verweer. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kon blijven, aangezien geen van beide partijen gebruik wenste te maken van het recht om gehoord te worden. De inhoudelijke beslissing en motivering van het hof ontbreken echter in de aangeleverde tekst, waardoor de uitkomst van het hoger beroep niet kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare informatie is niet te beoordelen of het hof de door de rechtbank vastgestelde waarde heeft bevestigd, verder heeft verlaagd, of alsnog heeft verhoogd. De impact van deze zaak is beperkt tot de individuele belastingpositie van belanghebbende; er zijn geen aanwijzingen dat het hof een principiële rechtsvraag heeft beantwoord.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266, Raad van State, 22-07-2026, 202305427/1/R2

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4297Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4297, Raad van State, 22-07-2026, 202504678/1/A3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4272Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4272, Raad van State, 22-07-2026, 202500298/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4264Middel
Bestuursrecht
Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4264, Raad van State, 22-07-2026, 202506029/1/A2

Raad van State22 jul 2026SchadevergoedingOverheid
35/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen