Hof past HR-arresten toe over misbruik moeder-dochterrichtlijn
ECLI:NL:GHSHE:2026:1277, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-05-2026, 24/320
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Technische ab-regeling van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb 1969. Misbruik van Unierecht? Belanghebbende, een naar Luxemburgs recht opgerichte S.A., gevestigd in Luxemburg, ontving in 2014 een dividend van een Nederlandse dochtervennootschap. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door een Luxemburgse vennootschap waarop het Luxemburgse SPF-regime van toepassing is. De UBO was in onderhavig jaar woonachtig in België. Het hof past het toetsingskader van de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:668 en 669) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1162 en 1163) toe en komt tot het oordeel dat de inspecteur aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken dat aan zowel de subjectieve als objectieve voorwaarde wordt voldaan. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat in dit geval in beginsel tevens is voldaan aan het doelvereiste. Belanghebbende is er vervolgens volgens het hof niet in geslaagd het van haar gevraagde tegenbewijs te leveren. Het hof komt daarom tot het oordeel dat de dividenduitkering belastbaar is op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. Het hoger beroep van de inspecteur is derhalve gegrond. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot het gestelde ontbreken van een nieuw feit en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige vennootschap procedeert over de toepassing van artikel 17 lid 3 letter b Wet Vpb in het licht van de moeder-dochterrichtlijn. De inspecteur stelt dat sprake is van misbruik van Unierecht. Het geschil betreft de vraag of de gehanteerde concernstructuur kunstmatig is en uitsluitend dient om EU-belastingvoordelen te verkrijgen.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch past de door de Hoge Raad in zijn arresten van 25 april 2025 en 18 juli 2025 geformuleerde maatstaven toe voor de beoordeling van misbruik van Unierecht. De doorslaggevende reden is dat de Hoge Raad heeft uitgewerkt hoe het doelvereiste en het subjectieve element van misbruik moeten worden vastgesteld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. De uitkomst van de zaak is op basis van het beschikbare tekstfragment onzeker, nu de weergegeven overwegingen slechts de juridische maatstaf bevatten en niet de toepassing op de feiten.
Impactscore
MiddelHet betreft een hofarrest dat de Hoge Raad-lijn van april 2025 toepast zonder zelf nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is aanzienlijk voor de betrokken partij en vergelijkbare holdingzaken, maar is beperkt tot toepassing van reeds vastgesteld recht. Het beschikbare tekstfragment is bovendien onvolledig, waardoor de uiteindelijke uitkomst onzeker blijft.
Belangrijkste punten
- 1Misbruik van Unierecht vereist zowel een objectief doelvereiste (doel van de richtlijn niet bereikt) als een subjectief element (kunstmatig creëren van voordelen).
- 2De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2025:668 en 669 de uitleg van artikel 17 lid 3 letter b Wet Vpb in het licht van de moeder-dochterrichtlijn nader uitgewerkt.
- 3Beoordeling van misbruik moet plaatsvinden aan de hand van alle feiten en omstandigheden, waarbij de structuur in haar geheel wordt onderzocht.
- 4Formele naleving van richtlijnvoorwaarden sluit misbruik niet uit indien het doel van de regels niet wordt bereikt.
- 5De regels over stelplicht en bewijslast bij het misbruikleerstuk zijn door de Hoge Raad nader gepreciseerd en dienen door het hof te worden toegepast.
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest illustreert de doorwerking van de nieuwe Hoge Raad-arresten van april en juli 2025 inzake artikel 17 lid 3 letter b Wet Vpb in feitenrechtspraak, en bevestigt dat de gecombineerde objectief-subjectieve toets voor misbruik van Unierecht leidend is bij structuren onder de moeder-dochterrichtlijn.
Praktische impact
Internationale concerns die gebruikmaken van tussenhoudsters om de moeder-dochterrichtlijn toe te passen, worden geconfronteerd met een integrale feitentoets waarbij zuiver formeel correcte structuren kunnen worden gepasseerd als economische rechtvaardiging ontbreekt.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening en holdingstructuren betekent dit dat concernfinancierings- en dividendroutes kritisch worden getoetst op economische realiteit, waarbij een kunstmatig karakter leidt tot weigering van de richtlijnvrijstelling.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch staat de vraag centraal of een belastingplichtige vennootschap zich terecht beroept op de voordelen van de moeder-dochterrichtlijn in het kader van artikel 17 lid 3 letter b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inspecteur heeft kennelijk het standpunt ingenomen dat sprake is van misbruik van Unierecht, waarbij de gehanteerde concernstructuur als kunstmatig zou zijn aan te merken. Het hof baseert zijn beoordeling uitdrukkelijk op de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:668 en 669) en het arrest van 18 juli 2025. In deze arresten heeft de Hoge Raad de twee bestanddelen van misbruik van Unierecht nader uitgewerkt: enerzijds het objectieve doelvereiste – dat de formele naleving van de richtlijnvoorwaarden niet het door de richtlijn beoogde doel dient – en anderzijds het subjectieve element, te weten de bedoeling om door kunstmatige constructies wederrechtelijk richtlijnvoordelen te verkrijgen. Beide elementen moeten worden vastgesteld aan de hand van een integraal onderzoek van alle feiten en omstandigheden, waarbij de structuur als geheel wordt beoordeeld. Louter formele naleving van de richtlijnvereisten is onvoldoende om misbruik uit te sluiten wanneer de economische en commerciële rechtvaardiging voor de structuur ontbreekt. Het beschikbare tekstfragment bevat uitsluitend de weergave van de juridische maatstaf en de overwegingen van de Hoge Raad; de feitelijke toepassing op de specifieke concernstructuur van de belastingplichtige en de uiteindelijke beslissing van het hof zijn op basis van het aangeleverde fragment niet volledig kenbaar. De zaak is juridisch relevant als voorbeeld van de snelle doorwerking van de nieuwe Hoge Raad-rechtspraak over misbruik van de moeder-dochterrichtlijn in de feitenrechtspraak van de gerechtshoven.