Verdachte veroordeeld voor voorhanden hebben vals Pools rijbewijs
ECLI:NL:GHSHE:2026:1161, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-04-2026, 20-001774-25
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)- tweede (inhaal)dagvaarding terwijl eerste betekende dagvaarding niet is ingetrokken. Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd, heeft het in de eerste dagvaarding tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Het hof overweegt dat op grond van artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het rechtsgeding aanvangt op het moment dat de officier van justitie de inleidende dagvaarding aan de verdachte betekent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitbrengen van een tweede (inhaal)dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd is met het wettelijk systeem, indien op grondslag van de inleidende dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Op grond van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie de (in dit geval: eerste) dagvaarding intrekken, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Uit het dossier volgt niet dat de eerste dagvaarding door de officier van justitie is ingetrokken. Het hof is daarom van oordeel dat op grondslag van de eerste dagvaarding beslist dient te worden.
Kern van de zaak
Een verdachte werd op 11 april 2025 in Venlo aangetroffen met een vals Pools rijbewijs. De officier van justitie bracht een tweede (inhaal)dagvaarding uit met een uitgebreidere tenlastelegging. Het hof moest bepalen op basis van welke dagvaarding berecht diende te worden.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart bewezen dat de verdachte een vals identiteitsbewijs voorhanden had (art. 231 Sr jo. Wet op de identificatieplicht). Doorslaggevend was dat de tweede dagvaarding in strijd is met het wettelijk systeem nu de eerste dagvaarding niet was ingetrokken en nog niet onherroepelijk op was beslist; het rechtsgeding kon uitsluitend op grondslag van de eerste dagvaarding worden voortgezet.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande en vaste Hoge Raad-jurisprudentie toe op een feitelijk eenvoudige zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de procedurele les is relevant maar niet nieuw.
Belangrijkste punten
- 1Het rechtsgeding vangt aan bij betekening van de inleidende dagvaarding (art. 258 lid 1 Sv); een tweede inhaal-dagvaarding over hetzelfde feit is in strijd met het wettelijk systeem zolang nog niet onherroepelijk is beslist op de eerste.
- 2De officier van justitie had de eerste dagvaarding kunnen intrekken op grond van art. 266 lid 1 Sv, maar dit is niet gebeurd.
- 3Het hof baseert zijn beslissing uitsluitend op de eerste dagvaarding van 12 april 2025, waarop alleen het voorhanden hebben van het valse rijbewijs was tenlastegelegd.
- 4Verdachte is door de gang van zaken niet in zijn verdediging geschaad, nu de ruimere tenlastelegging van de tweede dagvaarding buiten beschouwing blijft.
- 5Bewezenverklaring: het opzettelijk voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wet op de identificatieplicht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste Hoge Raad-jurisprudentie dat een inhaal-dagvaarding over hetzelfde feit ontoelaatbaar is zolang op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist, en benadrukt daarmee de procedurele grenzen van de vervolgingsbevoegdheid van de officier van justitie.
Praktische impact
Voor de verdachte betekent dit dat hij uitsluitend wordt berecht voor het beperktere feit uit de eerste dagvaarding; eventuele zwaardere of meervoudige tenlastelegging uit de tweede dagvaarding valt af. Officieren van justitie worden geconfronteerd met de noodzaak om een eerste dagvaarding tijdig in te trekken voordat het onderzoek ter terechtzitting aanvangt, willen zij de tenlastelegging uitbreiden.
Onderwerp-impact
In identiteitsfraude- en valse-documentenzaken bevestigt dit arrest dat procedurele fouten bij de dagvaarding directe gevolgen hebben voor de omvang van de vervolging, ongeacht de materiële ernst van het feit.
Samenvatting
Op 11 april 2025 werd de verdachte in Venlo aangehouden in het bezit van een vals Pools rijbewijs met documentnummer 87012611730. De officier van justitie dagvaardde de verdachte aanvankelijk op 12 april 2025 voor het voorhanden hebben van dit valse document. Vervolgens bracht de officier een tweede, inhaal-dagvaarding uit met een uitgebreidere tenlastelegging, onder meer met de kwalificatie 'meermalen gepleegd'. De politierechter ging bij zijn oordeel uit van deze tweede dagvaarding. In hoger beroep moest het Gerechtshof 's-Hertogenbosch de centrale procedurele vraag beantwoorden: op welke dagvaarding dient de berechting te worden gebaseerd? Het hof stelt vast dat op grond van artikel 258 lid 1 Sv het rechtsgeding aanvangt op het moment van betekening van de inleidende dagvaarding. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het uitbrengen van een tweede dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd met het wettelijk systeem, zolang op grondslag van de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. De officier van justitie had de mogelijkheid gehad de eerste dagvaarding in te trekken op grond van artikel 266 lid 1 Sv, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Onder die omstandigheden dient uitsluitend op basis van de eerste dagvaarding te worden beslist. Dit heeft als gevolg dat alleen het voorhanden hebben van het valse Poolse rijbewijs aan de verdachte is tenlastegelegd. Het hof verklaart dit feit bewezen: de verdachte had opzettelijk een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden, wetende dat dit vals was, strafbaar gesteld in artikel 231 Sr. De verdachte is door de procedurele gang van zaken niet in zijn verdediging geschaad, nu de bredere tenlastelegging uit de tweede dagvaarding buiten beschouwing blijft. De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige procesinleiding door het openbaar ministerie.