Quasi-inhouse uitzondering aanbesteding afvalverwerking niet van toepassing
ECLI:NL:GHDHA:2026:2989, Gerechtshof Den Haag, 29-09-2026, 200.290.736/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vervolg op het verwijzingsarrest van het Hof Den Haag van 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2681, en het prejudicieel arrest van het HvJ EU van 15 januari 2026 in zaak C-692/23, ECLI:EU:C:2026:4. Artikel 2.24b Aanbestedinsgwet 2012: quasi-inhouse uitzondering met meerdere controlerende aanbestedende diensten. Opdracht voor de verwerking van huishoudelijk restafval van drie gemeenten. Getrapte gunning door BAR N.V. aan Irado N.V. en door Irado N.V. aan Afvalsturing Friesland N.V. Toezichtcriterium en activiteitencriterium. Vernietiging en schadevergoeding.
Kern van de zaak
AVR (afvalverwerker) stelt dat BAR-gemeenten de afvalverwerkingsopdracht onrechtmatig onderhands hebben gegund aan Irado en AF, zonder Europese aanbesteding. BAR c.s. beroept zich op de quasi-inhouse uitzondering en betwist AVR's belang bij de vorderingen wegens vermeende onwil/onvermogen tot inschrijving.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vorderingen van AVR deels toe. Doorslaggevend is dat noch in de verhouding BAR-Irado noch in de verhouding Irado-AF is voldaan aan de voorwaarden voor de quasi-inhouse uitzondering, mede op grond van het door het Hof van Justitie EU gegeven antwoord op prejudiciële vragen.
Impactscore
HoogDe uitspraak volgt op een verwijzingsarrest waarbij prejudiciële vragen aan het HvJ EU zijn gesteld, wat duidt op principiële rechtsvragen over quasi-inhouse; de uitkomst raakt gemeentelijke aanbestedingspraktijk breed en is gebaseerd op EU-rechtelijke uitleg.
Belangrijkste punten
- 1Het hof verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van BAR c.s. op grond van artikel 3:303 BW: AVR heeft voldoende belang bij haar vorderingen ondanks haar reactie op de marktconsultatie van eind 2018.
- 2De quasi-inhouse uitzondering op de aanbestedingsplicht is niet van toepassing in de verhouding BAR-Irado.
- 3De quasi-inhouse uitzondering is evenmin van toepassing in de verhouding Irado-AF (doorverlening opdracht).
- 4Het hof heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU en heeft diens antwoord meegewogen in de eindbeoordeling.
- 5De afvalverwerkingsopdracht had Europees aanbesteed moeten worden; de onderhandse gunning is in strijd met het aanbestedingsrecht.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt de strikte toepassing van de quasi-inhouse uitzondering bij meervoudige overdracht van overheidsopdrachten en sluit aan op EU-rechtspraak over de voorwaarden daarvoor. De uitspraak heeft betekenis voor gemeenten die via gemeenschappelijke regelingen of verbonden partijen opdrachten verlenen zonder aanbesteding.
Praktische impact
BAR-gemeenten kunnen de afvalverwerkingsopdracht niet langer buiten aanbesteding houden via de constructie met Irado en AF. AVR krijgt (deels) gelijk en de gemeenten zullen de opdracht alsnog Europees moeten aanbesteden of een rechtmatige alternatieve constructie moeten kiezen.
Onderwerp-impact
Voor de afvalsector en gemeentelijke dienstverlening onderstreept deze uitspraak dat omvangrijke afvalverwerkingsopdrachten via gemeenschappelijke regelingen niet automatisch buiten het aanbestedingsrecht vallen, ook niet bij doorverlening via meerdere (semi-)publieke entiteiten.
Samenvatting
AVR, een commerciële afvalverwerker, heeft het Gerechtshof Den Haag gevraagd te oordelen dat de BAR-gemeenten (Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk) de afvalverwerkingsopdracht onrechtmatig onderhands hebben gegund aan Irado en AF, zonder een Europese aanbesteding te doorlopen. De gemeenten beriepen zich op de quasi-inhouse uitzondering: een in het aanbestedingsrecht erkende uitzondering waarmee aanbestedende diensten opdrachten mogen verlenen aan entiteiten die zij (gezamenlijk) controleren, zonder openbare aanbestedingsprocedure. BAR c.s. betoogde bovendien dat AVR geen belang had bij haar vorderingen, omdat AVR bij een hypothetische aanbesteding niet had willen of kunnen inschrijven, met name vanwege de vereiste nascheiding van plastic, metalen en drinkpakken (PMD). Het hof verwerpt dit ontvankelijkheidsverweer: AVR heeft voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. De enkele omstandigheid dat AVR in haar reactie op de marktconsultatie van eind 2018 twijfels heeft geuit over bepaalde voorwaarden, sluit een reële inschrijvingskans niet uit. Ten aanzien van de inhoudelijke vraag oordeelt het hof, mede op basis van het antwoord dat het Hof van Justitie EU heeft gegeven op eerder door het hof gestelde prejudiciële vragen, dat noch in de verhouding BAR-Irado noch in de verhouding Irado-AF is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor de quasi-inhouse uitzondering. De constructie waarbij de opdracht via twee schakels wordt verlengd buiten de markt om, voldoet niet aan de EU-rechtelijke eisen van toezicht en activiteitencriterium. Het hof wijst de vorderingen van AVR daarom deels toe. Deze uitspraak bevestigt dat gemeenten die via gemeenschappelijke regelingen en verbonden partijen omvangrijke opdrachten willen verlenen, zorgvuldig moeten toetsen of aan alle voorwaarden voor de quasi-inhouse uitzondering is voldaan, ook bij meervoudige doorverlening.