JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2940Laag22/100

Hof Den Haag wijst vordering tot voeging toe in scheepvaartgeschil

ECLI:NL:GHDHA:2026:2940, Gerechtshof Den Haag, 25-08-2026, 200.317.472/01 + 200.317.474/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 28 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.317.472/01 + 200.317.474/01
Burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht
Arbeidsrelaties
Transport
Brussel I Bis
Voeging
Scheepvaart
Meerpartijengeschil
Artikel 217 Rv

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Voegingsincident. Toewijzing van in laat stadium ingediende vordering tot voeging.

Kern van de zaak

In een hoger beroepsprocedure voor het Gerechtshof Den Haag betreffende een scheepvaartgeschil tussen meerdere partijen (waaronder Marlow c.s., Charterers en ITF c.s.) vordert een derde partij voeging aan de zijde van één van de procespartijen. Marlow c.s. en de Charterers verzetten zich tegen deze voeging.

Beslissing van de rechter

Het hof wijst de vordering tot voeging toe op grond van artikel 217 Rv, omdat de voegingspartij voldoende belang heeft aangetoond door potentiële nadelige feitelijke of juridische gevolgen van een ongunstige uitkomst. De bevoegdheid is gebaseerd op artikel 8 lid 2 van de Brussel I bis-Verordening.

22van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procesbeslissing in een voegingsincident die de bestaande rechtspraak over artikel 217 Rv volgt zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de uitkomst is procedureel van aard en heeft beperkte bredere precedentwaarde.

Belangrijkste punten

  • 1Bevoegdheid Nederlandse rechter gebaseerd op artikel 8 lid 2 Brussel I bis-Verordening
  • 2Voeging is toewijsbaar indien de voegingspartij belang heeft ex artikel 217 Rv en tijdig heeft gevorderd ex artikel 218 Rv
  • 3Belang wordt ruim uitgelegd: feitelijke én juridische gevolgen van toe- of afwijzing van de hoofdvordering of gezag van gewijsde volstaan
  • 4Eisen van goede procesorde kunnen in de weg staan aan toewijzing, maar dat is hier niet het geval geoordeeld
  • 5ITF c.s. heeft tevens een verzoek ingediend tot heroverweging bindende eindbeslissingen en voorwaardelijk verzoek tot openstelling tussentijds cassatie

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de ruime uitleg van het belang-criterium bij voeging ex artikel 217 Rv en de toepassing van Brussel I bis in internationale scheepvaartzaken met meerdere partijen. De beslissing is van beperkte precedentwaarde nu zij de vaste lijn in de rechtspraak volgt.

Praktische impact

De voegingspartij kan voortaan als procespartij deelnemen aan het hoofdgeding en haar belangen actief behartigen; Marlow c.s. en de Charterers worden geconfronteerd met een extra procespartij aan de andere zijde in een reeds complex meerpartijengeschil.

Onderwerp-impact

In de scheepvaart- en charterpartijpraktijk verduidelijkt deze beslissing dat derden met een (indirect) financieel of juridisch belang bij de uitkomst van een procedure zich relatief eenvoudig kunnen voegen, wat relevant is voor reders, bevrachters en arbeidsgerelateerde organisaties in maritieme geschillen.

Samenvatting

In deze procedure voor het Gerechtshof Den Haag staat een voegingsincident centraal in het kader van een hoger beroepsgeding over een scheepvaartgeschil waarbij onder meer Marlow c.s., de Charterers en ITF c.s. betrokken zijn. Een derde partij heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van één van de procespartijen. Marlow c.s. en de Charterers verzetten zich daartegen, terwijl anderen de vordering ondersteunen. Het hof stelt voorop dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het voegingsincident kennis te nemen op grond van artikel 8 lid 2 van de Brussel I bis-Verordening. Vervolgens toetst het hof aan artikel 217 Rv: voor een geslaagde vordering tot voeging is vereist dat de voegingspartij belang heeft bij de procedure. Dat belang wordt aangenomen zodra de voegingspartij nadelige feitelijke of juridische gevolgen kan ondervinden van een voor haar ongunstige uitkomst, waaronder gevolgen van het gezag van gewijsde van eindbeslissingen in de hoofdprocedure. Het hof oordeelt dat aan dit belang-vereiste is voldaan. Daarnaast is de incidentele vordering tijdig ingesteld conform artikel 218 Rv. Hoewel de eisen van een goede procesorde in beginsel aan toewijzing in de weg kunnen staan, ziet het hof daarvoor in dit geval geen grond. De vordering tot voeging wordt dan ook toegewezen. Tegelijkertijd blijkt uit het procesverloop dat ITF c.s. nadere processtukken heeft ingediend, waaronder een verzoek tot heroverweging van bindende eindbeslissingen uit het tussenarrest van 30 september 2025 en een voorwaardelijk verzoek tot openstelling van tussentijds cassatie. Deze verzoeken worden in een volgende fase van de procedure behandeld. De beslissing in het voegingsincident zelf is procedureel van aard en volgt de gevestigde rechtspraak omtrent artikel 217 Rv zonder nieuwe rechtsnormen te introduceren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 6 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Burgerlijk procesrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Aansprakelijkheid
ECLI:NL:HR:2026:1584

Hoge Raad verwerpt zowel principaal als incidenteel cassatieberoep

5/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Bestuursprocesrecht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1588

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk via art. 80a RO

8/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Burgerlijk procesrecht
Strafprocesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1590

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk via art. 80a RO

5/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1583

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep eisers tegen VM

5/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied