Teruggeleidingsverzoek kind naar India afgewezen door hof
ECLI:NL:GHDHA:2026:2928, Gerechtshof Den Haag, 17-08-2026, 200.371.308/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Internationale kinderontvoering. Niet-verdragsland. Artikel 3 HKOV; geen ongeoorloofde achterhouding. Moeder heeft toestemming gegeven voor een permanent verblijf in Nederland.
Kern van de zaak
Een moeder verzocht in hoger beroep om terugkeer van haar kind naar India, nadat het kind in augustus 2025 naar Nederland was overgebracht. India is geen verdragspartij bij het Haagse Kinderontvoeringsverdrag, wat de juridische beoordeling compliceerde.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de verzoeken van de moeder af en bekrachtigt de bestreden beschikking. Doorslaggevend is de beoordeling van de ongeoorloofde overbrenging op basis van het Haagse Verdrag als oriëntatiepunt, nu India geen verdragsstaat is.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak (vgl. GHDHA:2020:2020) over de toepassing van het HKOV als oriëntatiepunt in niet-verdragssituaties, zonder fundamenteel nieuwe rechtsregels te stellen; de impact is beperkt tot vergelijkbare India-zaken.
Belangrijkste punten
- 1India is geen partij bij het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV 1980), waardoor commune regels van internationaal bevoegdheidsrecht gelden
- 2Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 3 sub a Rv
- 3Het hof hanteert het HKOV als oriëntatiepunt, ook in niet-verdragssituaties
- 4Niet in geschil: kind had gewone verblijfplaats in India en partijen oefenden gezamenlijk gezag uit naar Indiaas recht
- 5Het hof heeft in niet-verdragssituaties ruimte om af te wijken van de verdragsregeling indien daartoe aanleiding bestaat
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat Nederlandse rechters het HKOV als oriëntatiepunt kunnen hanteren bij internationale kinderontvoeringen waarbij het land van herkomst geen verdragsstaat is, terwijl zij beoordelingsruimte behouden om daarvan af te wijken.
Praktische impact
De moeder ziet haar verzoek tot terugkeer van het kind naar India afgewezen; het kind blijft in Nederland, wat ingrijpende gevolgen heeft voor de verdere verblijfssituatie en omgangsregeling.
Onderwerp-impact
In grensoverschrijdende familiezaken waarbij niet-verdragsstaten betrokken zijn, verduidelijkt deze uitspraak de werkwijze van Nederlandse rechters bij teruggeleidingsverzoeken buiten het formele HKOV-kader.
Samenvatting
In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Den Haag over een hoger beroep van een moeder die verzocht om terugkeer van haar minderjarige kind naar India, nadat het kind in augustus 2025 door de vader naar Nederland was overgebracht. Omdat India geen verdragsstaat is bij het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering (HKOV 1980), kon het verdrag niet rechtstreeks worden toegepast. De Nederlandse rechter diende zijn rechtsmacht te baseren op de commune regels van internationaal bevoegdheidsrecht, meer specifiek artikel 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De centrale juridische vraag was of de overbrenging van het kind als ongeoorloofd kon worden aangemerkt, en zo ja, of terugkeer naar India moest worden gelast. Niet in geschil was dat het kind onmiddellijk vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats in India had en dat beide ouders op grond van het Indiase recht gezamenlijk het gezag uitoefenden. Het hof overwoog dat het HKOV, hoewel niet van rechtstreekse toepassing, kan dienen als oriëntatiepunt bij de beoordeling van een teruggeleidingsverzoek in niet-verdragssituaties. Tegelijkertijd benadrukte het hof dat in dergelijke gevallen beoordelingsruimte bestaat om van de verdragsregeling af te wijken, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak (GHDHA:2020:2020) werd dit kader als uitgangspunt genomen. Uiteindelijk wees het hof de verzoeken van de moeder af en bekrachtigde het de eerder gewezen beschikking. De uitspraak illustreert de bijzondere positie van India als niet-verdragsstaat en de wijze waarop Nederlandse rechters in dergelijke gevallen toch een evenwichtig beoordelingskader hanteren, waarbij het belang van het kind centraal staat.