JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2928Middel35/100

Teruggeleidingsverzoek kind naar India afgewezen door hof

ECLI:NL:GHDHA:2026:2928, Gerechtshof Den Haag, 17-08-2026, 200.371.308/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 17 augustus 2026Publicatie: 25 september 2026
Zaaknummer:200.371.308/01
Burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Overheid
Dienstverlening
Gezamenlijk Gezag
Haags Verdrag
Internationale Kinderontvoering
Terugkeerverzoek
India

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Internationale kinderontvoering. Niet-verdragsland. Artikel 3 HKOV; geen ongeoorloofde achterhouding. Moeder heeft toestemming gegeven voor een permanent verblijf in Nederland.

Kern van de zaak

Een moeder verzocht in hoger beroep om terugkeer van haar kind naar India, nadat het kind in augustus 2025 naar Nederland was overgebracht. India is geen verdragspartij bij het Haagse Kinderontvoeringsverdrag, wat de juridische beoordeling compliceerde.

Beslissing van de rechter

Het hof wijst de verzoeken van de moeder af en bekrachtigt de bestreden beschikking. Doorslaggevend is de beoordeling van de ongeoorloofde overbrenging op basis van het Haagse Verdrag als oriëntatiepunt, nu India geen verdragsstaat is.

35van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak (vgl. GHDHA:2020:2020) over de toepassing van het HKOV als oriëntatiepunt in niet-verdragssituaties, zonder fundamenteel nieuwe rechtsregels te stellen; de impact is beperkt tot vergelijkbare India-zaken.

Belangrijkste punten

  • 1India is geen partij bij het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV 1980), waardoor commune regels van internationaal bevoegdheidsrecht gelden
  • 2Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 3 sub a Rv
  • 3Het hof hanteert het HKOV als oriëntatiepunt, ook in niet-verdragssituaties
  • 4Niet in geschil: kind had gewone verblijfplaats in India en partijen oefenden gezamenlijk gezag uit naar Indiaas recht
  • 5Het hof heeft in niet-verdragssituaties ruimte om af te wijken van de verdragsregeling indien daartoe aanleiding bestaat

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat Nederlandse rechters het HKOV als oriëntatiepunt kunnen hanteren bij internationale kinderontvoeringen waarbij het land van herkomst geen verdragsstaat is, terwijl zij beoordelingsruimte behouden om daarvan af te wijken.

Praktische impact

De moeder ziet haar verzoek tot terugkeer van het kind naar India afgewezen; het kind blijft in Nederland, wat ingrijpende gevolgen heeft voor de verdere verblijfssituatie en omgangsregeling.

Onderwerp-impact

In grensoverschrijdende familiezaken waarbij niet-verdragsstaten betrokken zijn, verduidelijkt deze uitspraak de werkwijze van Nederlandse rechters bij teruggeleidingsverzoeken buiten het formele HKOV-kader.

Samenvatting

In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Den Haag over een hoger beroep van een moeder die verzocht om terugkeer van haar minderjarige kind naar India, nadat het kind in augustus 2025 door de vader naar Nederland was overgebracht. Omdat India geen verdragsstaat is bij het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering (HKOV 1980), kon het verdrag niet rechtstreeks worden toegepast. De Nederlandse rechter diende zijn rechtsmacht te baseren op de commune regels van internationaal bevoegdheidsrecht, meer specifiek artikel 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De centrale juridische vraag was of de overbrenging van het kind als ongeoorloofd kon worden aangemerkt, en zo ja, of terugkeer naar India moest worden gelast. Niet in geschil was dat het kind onmiddellijk vóór de overbrenging zijn gewone verblijfplaats in India had en dat beide ouders op grond van het Indiase recht gezamenlijk het gezag uitoefenden. Het hof overwoog dat het HKOV, hoewel niet van rechtstreekse toepassing, kan dienen als oriëntatiepunt bij de beoordeling van een teruggeleidingsverzoek in niet-verdragssituaties. Tegelijkertijd benadrukte het hof dat in dergelijke gevallen beoordelingsruimte bestaat om van de verdragsregeling af te wijken, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak (GHDHA:2020:2020) werd dit kader als uitgangspunt genomen. Uiteindelijk wees het hof de verzoeken van de moeder af en bekrachtigde het de eerder gewezen beschikking. De uitspraak illustreert de bijzondere positie van India als niet-verdragsstaat en de wijze waarop Nederlandse rechters in dergelijke gevallen toch een evenwichtig beoordelingskader hanteren, waarbij het belang van het kind centraal staat.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Burgerlijk procesrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Aansprakelijkheid
ECLI:NL:HR:2026:1584

Hoge Raad verwerpt zowel principaal als incidenteel cassatieberoep

5/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Bestuursprocesrecht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1588

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk via art. 80a RO

8/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Burgerlijk procesrecht
Strafprocesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1590

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk via art. 80a RO

5/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1583

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep eisers tegen VM

5/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied