JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2676Laag18/100

ING Bank wint hoger beroep over zakelijk krediet van €100.000

ECLI:NL:GHDHA:2026:2676, Gerechtshof Den Haag, 25-08-2026, 200.355.014/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 20 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.355.014/01
Contractenrecht
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Financiele Dienstverlening
Incasso
Hoger Beroep
Bewijslastverdeling
Jaarrekening
Kredietovereenkomst
Bankvordering

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Vraag of bank opgeëist openstaand kredietsaldo voldoende heeft onderbouwd.

Kern van de zaak

ING Bank vordert betaling van €100.000 van appellant op basis van een opgezegde kredietovereenkomst. Appellant betwist de vordering en stelt dat de administratie van ING Bank onbetrouwbaar is. De rechtbank Den Haag wees de vordering toe, waarop appellant in hoger beroep ging.

Beslissing van de rechter

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 april 2025 en veroordeelt appellant tevens in de proceskosten van €7.802. Doorslaggevend is dat appellant zelf in zijn eigen jaarrekening 2015 en zijn aangifte inkomstenbelasting 2016 een schuld aan ING Bank van respectievelijk €99.997 en €98.659 heeft vermeld, waardoor zijn betwisting van de vordering onhoudbaar is.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een feitelijke toepassing van algemeen geldende bewijsregels in een individueel kredietgeschil zonder nieuwe rechtsvragen; de precedentwerking is beperkt.

Belangrijkste punten

  • 1Appellant erkende de schuld impliciet door in zijn eigen jaarrekening 2015 een schuld van €99.997 aan ING Bank op te nemen.
  • 2Ook in de aangifte inkomstenbelasting 2016 vermeldde appellant per 1 januari 2016 een schuld van €99.997 en per 31 december 2016 van €98.659.
  • 3Appellant deed eerder zelf betalingsvoorstellen en stelde een verlaging van het krediet naar €75.000 voor, wat zijn bekendheid met de debetstand bevestigt.
  • 4ING Bank onderbouwde haar vordering met rekeningmutaties, een jaaroverzicht 2015 en bankafschriften over 2017-2018.
  • 5De stelling dat de ING-administratie onbetrouwbaar zou zijn, is onverenigbaar met de eigen financiële documenten van appellant.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat eigen financiële documenten (jaarrekening, belastingaangifte) als krachtig bewijsmiddel gelden tegen een partij die een bankvordering betwist. Het hof past de reguliere bewijslastverdeling toe zonder nieuwe rechtsontwikkeling.

Praktische impact

Appellant dient alsnog €100.000 aan ING Bank te voldoen, vermeerderd met proceskosten van €7.802 in hoger beroep; het instellen van hoger beroep zonder sluitende onderbouwing heeft geleid tot aanzienlijke extra kosten.

Onderwerp-impact

Voor zakelijke kredietnemers benadrukt deze zaak het belang van consistentie tussen eigen administratie en gerechtelijke verweren; het is vrijwel onmogelijk een bankvordering te betwisten die men zelf in de eigen boekhouding heeft opgenomen.

Samenvatting

In deze zaak stond de vraag centraal of ING Bank haar vordering van €100.000 op appellant, gebaseerd op een opgezegde zakelijke kredietovereenkomst, voldoende had onderbouwd. Appellant betwistte de verschuldigdheid en stelde dat de administratie van ING Bank onbetrouwbaar was en dat een eerdere vordering van de bank niet had bestaan. De rechtbank Den Haag wees de vordering toe bij vonnis van 16 april 2025, waarna appellant in hoger beroep ging bij het Gerechtshof Den Haag. Het hof oordeelde dat ING Bank haar vordering voldoende had onderbouwd. Uit de overgelegde bankafschriften, rekeningmutaties over de periode december 2015 tot maart 2017 en het jaaroverzicht 2015 bleek een debetstand die consistent was met de gevorderde hoofdsom. Doorslaggevend was echter dat appellant zelf in de jaarrekening 2015 van zijn eenmanszaak een schuld aan ING Bank van €99.997 had laten opnemen, een bedrag dat nagenoeg overeenstemt met de overgelegde bankstukken. Bovendien had appellant in zijn aangifte inkomstenbelasting 2016 eenzelfde schuld vermeld per 1 januari 2016, en per 31 december 2016 een schuld van €98.659. Deze eigen financiële documenten waren onverenigbaar met zijn stelling dat de ING-administratie onbetrouwbaar zou zijn. Daarnaast wees het hof erop dat appellant al in augustus 2016 een voorstel had gedaan om het krediet te verlagen naar €75.000 en vervolgens diverse betalingsregelingen had voorgesteld. Hij had op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de debetstand, terwijl ING Bank hem daar vanaf september 2016 herhaaldelijk op had gewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van hoger beroep, begroot op €7.802. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 1 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Contractenrecht

Gerechtshof Amsterdam·29 sep 2026
Contractenrecht
Huurrecht
Vastgoed
Consumentenrecht
ECLI:NL:GHAMS:2026:2796

Wettelijke rente afgewezen na vernietiging oneerlijk rentebeding huurcontract

38/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Contractenrecht
Civiel recht
Bouw
Consumentenrecht
ECLI:NL:HR:2026:1556

Hoge Raad: vervalbeding in aannemingscontract oneerlijk jegens consument

74/100Bekijk
Gerechtshof Amsterdam·22 sep 2026
Contractenrecht
Civiel recht
Aansprakelijkheid
Vastgoed
ECLI:NL:GHAMS:2026:2695

Ontbinding koopovereenkomst perceel: GrondInkoop tekortgeschoten

28/100Bekijk
Gerechtshof Amsterdam·22 sep 2026
Contractenrecht
Civiel recht
Aansprakelijkheid
Vastgoed
ECLI:NL:GHAMS:2026:2692

Vastgoedkoper wint: vorderingen verkoper volledig afgewezen

35/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied