Hof vernietigt vonnis in erfenisgeschil tussen broers
ECLI:NL:GHDHA:2026:2488, Gerechtshof Den Haag, 14-07-2026, 200.357.128/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Erfrecht. Behoort naar erfgenaam overgeboekt en slechts deels teruggeboekt bedrag tot de nalatenschap of was sprake van een schenking vanwege de (financiële) hulp die deze erfgenaam aan zijn ouders heeft gegeven gedurende hun leven? Onvoldoende onderbouwing van de betwisting dat het bedrag tot de nalatenschap behoort in het kader van hetgeen uit de stukken blijkt. Is zijn aandeel in niet teruggeboekte bedrag aan andere erfgenaam verbeurd? Niet voldaan aan vereiste van opzettelijke verzwijgen/verbergen.
Kern van de zaak
Twee broers strijden over een bedrag van € 15.000,- uit de nalatenschap van hun moeder. Appellant stelt dat hij dit bedrag mocht houden als vergoeding voor jarenlange financiële steun aan de ouders. Geïntimeerde betwist dit en vordert terugbetaling.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt het bestreden vonnis en verklaart geïntimeerde niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, dan wel wijst deze af voor zover zij het bedrag van € 8.615,32 overstijgen. Doorslaggevend is dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de gestelde schenking van € 15.000,-, maar dat de vordering van geïntimeerde desondanks wordt gematigd tot het resterende bedrag na aftrek van de erkende kosten.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk familiegeschil over een beperkt geldbedrag zonder principiële rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch van aard en heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Appellant stelt dat moeder hem € 15.000,- heeft geschonken uit de nalatenschap van haar zuster als vergoeding voor jarenlange financiële steun
- 2Geïntimeerde betwist de schenking en wijst erop dat bij moeder in 2021 dementie is vastgesteld, wat haar wilsbekwaamheid raakt
- 3De bewijslast dat moeder heeft verklaard dat appellant het geld mocht houden, rust op appellant
- 4Het hof vernietigt het vonnis en beperkt de vordering van geïntimeerde tot maximaal € 8.615,32
- 5Geïntimeerde wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 7.500,- aan appellant, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 mei 2025
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van bewijslastverdeling bij gestelde schenkingen binnen familieverhoudingen, waarbij dementie van de schenker de wilsbekwaamheid en daarmee de rechtsgeldigheid van de schenking kan beïnvloeden. Het hof past een gedeeltelijke toewijzing toe door de vordering te matigen tot een lager bedrag.
Praktische impact
Appellant ontvangt € 7.500,- terug van geïntimeerde en de proceskosten worden deels in zijn voordeel beslist. Geïntimeerde krijgt slechts een beperkt deel van zijn oorspronkelijke vordering toegewezen.
Onderwerp-impact
In erfenisgeschillen binnen families waarbij sprake is van dementia bij de erflater, dienen partijen die een schenking claimen robuust bewijs te leveren van de wilsuiting van de schenker om hun aanspraken te kunnen handhaven.
Samenvatting
In deze zaak voor het Gerechtshof Den Haag strijden twee broers over een bedrag van € 15.000,- dat appellant in zijn bezit heeft gehouden uit de nalatenschap van de zuster van hun moeder. Appellant stelt dat zijn moeder hem dit bedrag heeft geschonken als compensatie voor de aanzienlijke financiële steun die hij door de jaren heen aan zijn ouders had verleend: hij had een huis voor hen gekocht, verhuizingen en opknapbeurten betaald en na het overlijden van de vader de financiën van moeder beheerd. Volgens appellant was een schenking van € 15.000,- een redelijke vergoeding voor al deze kosten. Geïntimeerde betwist de schenking en voert aan dat bij moeder in 2021 dementie is vastgesteld, hetgeen vragen oproept over haar wilsbekwaamheid op het moment van de gestelde schenking. Geïntimeerde stelt verder dat de bewijslast voor de gestelde verklaring van moeder bij appellant ligt. De rechtbank had eerder een vonnis gewezen dat appellant in hoger beroep aanvecht. Het hof stelt voorop dat appellant de bewijslast draagt van de gestelde schenking. Nu appellant daarin onvoldoende slaagt, kan de volledige € 15.000,- niet als schenking worden aangemerkt. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en verklaart geïntimeerde niet-ontvankelijk dan wel wijst zijn vorderingen af voor zover zij het bedrag van € 8.615,32 overstijgen. Concreet betekent dit dat geïntimeerde het reeds ontvangen bedrag van € 7.500,- moet terugbetalen aan appellant, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 mei 2025. De proceskosten in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd. De zaak laat zien hoe complex vermogensrechtelijke kwesties binnen families kunnen worden wanneer de wilsbekwaamheid van een ouder in het geding is.