Navordering belasting gerechtvaardigd na inzage strafdossier schip
ECLI:NL:GHDHA:2026:2432, Gerechtshof Den Haag, 16-07-2026, BK-24/120
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende exploiteert in een vof een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. Belanghebbende ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vethandelaar, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat de gestelde contante betalingen niet zijn verwerkt in de administratie van de vof en belanghebbende deze niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, een rentebeschikking en een vergrijpboete opgelegd. De Inspecteur heeft in totaal vijf, uit de administratie van de vervoerder afkomstige contantfacturen overgelegd, die tezamen optellen tot het door hem gestelde bedrag aan contante betalingen. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen aannemelijk omdat de accountant van een viertal contantfacturen heeft erkend dat daarvoor ontvangsten hebben plaatsgevonden, welke niet zijn aangegeven. Ook de contante betaling ter zake van de resterende contantfactuur heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt. De navorderingsaanslagen en rentebeschikking worden gehandhaafd; de boetebeschikking was in eerste aanleg al vernietigd. Belanghebbende heeft – boven op de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Wat betreft de vernietigde vergrijpboete wordt compensatie verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb (vgl. onder meer HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1).
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (eiser) betwist navorderingsaanslagen opgelegd door de Belastingdienst. De inspecteur verkreeg via inzage in een strafdossier nieuwe informatie over een schip en een B.V., waarna navordering volgde. Eiser stelt dat er geen nieuw feit aanwezig was dat navordering rechtvaardigde.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt grotendeels het oordeel van de rechtbank: het beroep tegen de navorderingsaanslag is ongegrond, omdat de informatie uit het strafdossier een nieuw feit oplevert dat navordering rechtvaardigt. De boetebeschikking wordt echter vernietigd en eiser ontvangt schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over het nieuwe-feitvereiste bij navordering en heeft geen precedentwerking op hogere rechtsniveaus; de zaak is feitelijk van aard en de rechtsvragen zijn niet nieuw.
Belangrijkste punten
- 1Informatie uit een strafdossier, verkregen na het opleggen van definitieve aanslagen, kwalificeert als een nieuw feit in de zin van de AWR dat navordering rechtvaardigt.
- 2De inspecteur hoefde vóór inzage in het strafdossier niet reeds bekend te zijn met het strafrechtelijk onderzoek; er was geen aanleiding dit te veronderstellen.
- 3Het strafdossier bevatte niet alleen informatie over de B.V., maar ook over het schip en daarmee direct over eiser zelf.
- 4Bij aanwezigheid van een nieuw feit behoeft de vraag naar kwade trouw van de belastingplichtige geen beantwoording meer.
- 5De boetebeschikking wordt vernietigd en eiser ontvangt een schadevergoeding van in totaal € 1.250 (verweerder € 708,33 en de Staat € 541,67) wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat inzage in een strafdossier na het opleggen van definitieve aanslagen een geldig nieuw feit oplevert voor navordering ex artikel 16 AWR, ook als dat dossier deels ziet op een rechtspersoon die gelieerd is aan de belastingplichtige. De omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e AWR blijft van toepassing bij het niet doen van de vereiste aangifte.
Praktische impact
Belastingplichtigen kunnen navorderingsaanslagen niet succesvol aanvechten met het argument dat de fiscus slechts een 'vermoeden' had, als dat vermoeden voortvloeit uit concreet nieuw bewijsmateriaal zoals een strafdossier. De vernietiging van de boetebeschikking biedt eiser enige genoegdoening, maar de belastingschuld zelf blijft intact.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening en belastingpraktijk onderstreept deze uitspraak het belang van informatiedeling tussen strafrechtelijke en fiscale autoriteiten: strafrechtelijk onderzoek kan alsnog leiden tot fiscale navordering, ook jaren na de definitieve aanslag.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag stond centraal of de Belastingdienst terecht navorderingsaanslagen had opgelegd aan een belastingplichtige (eiser) op basis van informatie die was verkregen uit een strafdossier. Eiser betwistte dat er sprake was van een 'nieuw feit' als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), omdat de inspecteur naar zijn mening slechts een vermoeden had en niet over een volledig nieuw feit beschikte. Het hof volgde het oordeel van de rechtbank: de informatie uit het strafdossier betrof niet alleen een gelieerde B.V., maar ook het schip van eiser zelf, en was daarmee rechtstreeks relevant voor de belastingpositie van eiser. Bovendien was de inspecteur pas na het opleggen van de definitieve aanslagen met het strafrechtelijk onderzoek bekend geworden, zodat hem geen verwijt kon worden gemaakt dat hij deze informatie eerder had kunnen vergaren. Hiermee was het nieuwe-feitvereiste vervuld en was navordering gerechtvaardigd. De vraag of eiser te kwader trouw was gehandeld, behoefde onder deze omstandigheden geen beantwoording meer. Omdat eiser de vereiste aangifte niet had gedaan, gold op grond van artikel 27e AWR de omkering en verzwaring van de bewijslast, waardoor het aan eiser was om aan te tonen dat de navorderingsaanslagen onjuist waren. Het beroep tegen de navorderingsaanslag werd ongegrond verklaard. Op één punt slaagde eiser wel: de boetebeschikking werd vernietigd. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor beslechting van het geschil was overschreden, waardoor zowel de inspecteur als de Staat werden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van in totaal € 1.250. Ook de proceskosten en het griffierecht werden deels vergoed.