JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2431Laag32/100

Navordering aanvaardbaar na strafdossier over oliefraude op schip

ECLI:NL:GHDHA:2026:2431, Gerechtshof Den Haag, 16-07-2026, BK-24/119

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 16 juli 2026Publicatie: 22 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-24/119
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Materieel strafrecht
Handhaving
Financiele Dienstverlening
Transport
Redelijke Termijn
Omkering Bewijslast
Navordering
Nieuw Feit
Oliefraude

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Belanghebbende exploiteert in een vof een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. De schipper ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vervoerder, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat de gestelde contante betalingen niet zijn verwerkt in de administratie van de vof en belanghebbende deze niet heeft aangegeven in haar aangifte vennootschapsbelasting, heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag, een rentebeschikking en een vergrijpboete opgelegd. Belanghebbende heeft voorts recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Wat betreft de boetebeschikking geldt dat, aangezien het ging om een – door de Rechtbank vernietigde – boete van minder dan € 1.000, door de Rechtbank geen compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb hoefde te worden verleend (zie HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1), maar kon worden volstaan met de – impliciete – constatering dat de redelijke termijn van artikel 6, lid 1, EVRM is overschreden. In hoger beroep is de boete niet langer onderwerp van geschil, zodat in zoverre niet behoeft te worden beoordeeld of de redelijke termijn bij de behandeling van de procedure tegen de boete (in hoger beroep) is overschreden. De Inspecteur heeft in totaal vijf, uit de administratie van de vervoerder afkomstige contantfacturen overgelegd, die tezamen optellen tot het door hem gestelde bedrag aan contante betalingen. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen aannemelijk omdat de accountant van een viertal contantfacturen heeft erkend dat daarvoor ontvangsten hebben plaatsgevonden, welke niet zijn aangegeven. Ook de contante betaling ter zake van de resterende contantfactuur heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt. De navorderingsaanslag en rentebeschikking worden gehandhaafd; de boetebeschikking was in eerste aanleg al vernietigd. Wel slaagt – gelet op hetgeen is overwogen en beslist over artikel 30hb AWR in een uitspraak van het Hof van 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:430) – belanghebbendes betoog dat aan haar te veel belastingrente in rekening is gebracht, voor zover vanaf 1 april 2014 een belastingrentepercentage van 8 (of hoger) is toegepast. De over deze periode verschuldigde belastingrente dient naar het oordeel van het hof te worden berekend naar een tarief van 4%.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige (eiseres, eigenaar/exploitant van een schip) werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag nadat de Belastingdienst via inzage in een strafdossier informatie verkreeg over vermeende fraude met olieleveranties. De kernvraag was of er sprake was van een 'nieuw feit' dat navordering rechtvaardigt en of de vereiste aangifte was gedaan.

Beslissing van de rechter

Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard: de boetebeschikking is vernietigd, maar de navorderingsaanslag blijft in stand. De doorslaggevende reden is dat de Belastingdienst pas na oplegging van de definitieve aanslag kennis kreeg van het strafrechtelijk onderzoek, waarmee een nieuw feit voor navordering is gegeven; voorts is de bewijslast omgekeerd omdat de vereiste aangifte niet is gedaan.

32van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over het nieuwe-feiten-vereiste en omkering van de bewijslast; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de zaak is feitelijk van aard, waardoor de precedentwerking beperkt is.

Belangrijkste punten

  • 1Navordering is gerechtvaardigd omdat de Inspecteur pas na de definitieve aanslag via een strafdossier op de hoogte raakte van de fraude – er is sprake van een nieuw feit (art. 16 AWR).
  • 2De vraag naar kwade trouw van eiseres hoeft niet beantwoord te worden nu het nieuwe feit vaststaat.
  • 3Omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 27e AWR) zijn van toepassing omdat de vereiste aangifte niet is gedaan.
  • 4Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt een modus operandi waarbij vocht/vuilpercentages op begeleidingsbrieven werden gemanipuleerd (3% vs. 80%), waardoor de werkelijke hoeveelheid geleverde olie en de daaruit voortvloeiende inkomsten werden versluierd.
  • 5De boetebeschikking is vernietigd en eiseres ontvangt schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (totaal € 1.250,-).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat strafrechtelijk onderzoek als nieuw feit kan gelden voor navordering, mits de Inspecteur daarvóór niet al bekend was of had moeten zijn met de relevante informatie. Tevens illustreert de zaak de toepassing van omkering van de bewijslast bij ontbreken van een deugdelijke aangifte in fraudezaken.

Praktische impact

Voor eiseres betekent de uitspraak dat de navorderingsaanslag in stand blijft en zij met een verzwaarde bewijslast de onjuistheid ervan moet aantonen; de vernietiging van de boete en de schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn bieden slechts beperkte financiële compensatie.

Onderwerp-impact

In de scheepvaart- en oliehandelsector onderstreept deze zaak dat manipulatie van administratieve documenten (begeleidingsbrieven met onjuiste percentages) strafrechtelijke én fiscale consequenties heeft, waarbij strafdossiers als basis voor navordering kunnen dienen.

Samenvatting

Deze zaak betreft een belastingplichtige (eiseres) die een schip exploiteert en betrokken bleek bij een constructie waarbij begeleidingsbrieven voor olieleveranties werden gemanipuleerd. Door het vocht/vuilpercentage kunstmatig hoog voor te stellen (80% in plaats van de werkelijke 3%), werd de werkelijke hoeveelheid geleverde olie en daarmee de belastbare omzet aanzienlijk lager gepresenteerd. De Belastingdienst (verweerder/Inspecteur) legde een navorderingsaanslag op nadat via inzage in een strafdossier – dat betrekking had op zakenpartner B.V. 1 en het schip – informatie beschikbaar kwam die eerder niet bekend was. Centraal stond de vraag of er sprake was van een 'nieuw feit' dat navordering rechtvaardigde (artikel 16 AWR). Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof Den Haag beantwoordt deze vraag bevestigend: de Inspecteur was pas ná het opleggen van de definitieve aanslag via het strafdossier op de hoogte geraakt van het frauduleuze patroon. Er was geen aanleiding om eerder onderzoek te doen, zodat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim kan worden verweten. De vraag naar kwade trouw van eiseres behoefde daarmee geen verdere bespreking. Daarnaast is de bewijslast omgekeerd en verzwaard op grond van artikel 27e AWR, omdat de vereiste aangifte niet is gedaan: de aangegeven belasting week zowel absoluut als relatief aanzienlijk af van de werkelijk verschuldigde belasting. Eiseres draagt daarmee de last om te bewijzen dat en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is. De boetebeschikking is evenwel vernietigd, en eiseres ontvangt een schadevergoeding van in totaal € 1.250,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld over de Inspecteur en de Staat. De Inspecteur is tevens veroordeeld in de proceskosten (€ 1.477,50) en het griffierecht (€ 360,-). De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, waarop het Gerechtshof Den Haag nu oordeelt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00280

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied