Belastingrente verhoogd naar €1.244 conform Hoge Raad arrest
ECLI:NL:GHDHA:2026:2285, Gerechtshof Den Haag, 09-06-2026, BK-25/637
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Berekening belastingrente bij voorlopige aanslag Vpb 2023 (conform ECLI:NL:HR:2026:59). Geen matiging van de door de Rechtbank toegekende vergoeding van verletkosten.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (niet-Vpb) bestreed de hoogte van de opgelegde belastingrentesbeschikking. De rechtbank had de rente verlaagd naar €632, waarna de inspecteur in hoger beroep ging met een beroep op een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond verklaard: het hof stelt de belastingrente vast op €1.244. Doorslaggevend is het arrest HR 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59), op grond waarvan de percentages van 6% (Q4 2023) en 7,5% (begin 2024) correct worden toegepast, ook wanneer de aanslag vóór het einde van de betaaltermijn is betaald.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande Hoge Raad-jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; het gaat om een betrekkelijk klein bedrag en de toepassing is casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Het hof sluit aan bij HR 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59) inzake de toepasselijke belastingrentepercentages voor niet-Vpb-plichtigen.
- 2Belastingrente kan worden berekend over de periode tot de uiterste betaaldatum, ook als de aanslag eerder werd betaald (HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673).
- 3De rentebeschikking wordt door het hof vastgesteld op €1.244, hoger dan de €632 vastgesteld door de rechtbank.
- 4De inspecteur betwist ook de door de rechtbank toegekende verletkosten, zowel primair (geen onderbouwing) als subsidiair (lager uurloon van €41 i.p.v. €103).
- 5De uitspraak is fragmentarisch; de volledige beslissing over verletkosten en proceskosten ontbreekt in de beschikbare tekst.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van HR 16 januari 2026 op belastingrentebeschikkingen voor niet-Vpb-plichtigen en herhaalt de regel dat belastingrente doorloopt tot de uiterste betaaldatum ongeacht eerder betalen. De discussie over verletkosten en onderbouwingseisen is juridisch relevant maar onvolledig weergegeven.
Praktische impact
Belastingplichtigen die menen dat vroege betaling belastingrente beperkt, worden door deze uitspraak gecorrigeerd: het rentetijdvak loopt altijd door tot de wettelijke uiterste betaaldatum. Verletkosten dienen deugdelijk onderbouwd te worden, ook wanneer een bestuurder een vennootschap vertegenwoordigt.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtigen in de particuliere en zakelijke sfeer (niet-Vpb) heeft deze uitspraak directe gevolgen voor de verwachte hoogte van belastingrentebeschikkingen bij te late aanslagoplegging in de relevante periode 2023-2024.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag stond centraal hoe hoog de belastingrente moest zijn die aan een niet-Vpb-plichtige belastingplichtige was opgelegd. De rechtbank had de rentebeschikking eerder verlaagd van een hoger bedrag naar €632, maar de inspecteur ging in hoger beroep en stelde dat de beschikking conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59) moest worden vastgesteld op €1.244. Het hof volgde de inspecteur in zijn berekening. Over het vierde kwartaal van 2023 gold een rentepercentage van 6%, en over de periode 1 tot en met 13 januari 2024 een percentage van 7,5%, conform het Besluit belasting- en invorderingsrente. Dit resulteerde in een totale belastingrente van €1.244. Het hof benadrukte daarbij dat belastingrente kan worden berekend over de gehele periode tot de uiterste betaaldatum van de aanslag, ook wanneer de belastingplichtige de aanslag al vóór het verstrijken van die termijn heeft betaald. Dit volgt uit HR 18 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1673). Het argument van belanghebbende dat het vroeg betalen de renteberekening zou beperken, werd daarmee uitdrukkelijk verworpen. Naast de renteberekening speelde een discussie over verletkosten: de inspecteur betwistte zowel de toekenning zelf (wegens gebrek aan onderbouwing en het feit dat vertegenwoordiging door een bestuurder tot diens normale taken behoort) als het gehanteerde uurloon. De uitspraak is op dit punt onvolledig weergegeven, zodat de uitkomst van dat geschilpunt onzeker blijft. De zaak illustreert het belang van de recente Hoge Raad-jurisprudentie over belastingrentepercentages en de berekeningssystematiek voor niet-Vpb-plichtigen.