JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2265Middel38/100

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende machtiging gemachtigde

ECLI:NL:GHDHA:2026:2265, Gerechtshof Den Haag, 08-07-2026, BK-25/774

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 8 juli 2026Publicatie: 8 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/774
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Hoger Beroep
Belastingrecht
Machtiging Gemachtigde
Awb Artikel 8 24

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Art. 6:5, art. 6:6 en art. 8:24, lid 2, Awb: vertegenwoordigingsbevoegdheid. De beweerdelijk gemachtigde heeft geen recente machtiging overgelegd. Het hoger beroep is niet bevoegd ingesteld. Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Kern van de zaak

Een partij stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag in een belastingzaak, vertegenwoordigd door een niet-advocaat gemachtigde. Het hof verlangde een schriftelijke machtiging specifiek voor de hogerberoepsprocedure. Aan dit vereiste werd niet (tijdig) voldaan.

Beslissing van de rechter

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat de gemachtigde geen geldige schriftelijke machtiging heeft overgelegd die specifiek ziet op de hogerberoepsprocedure, zoals vereist op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb jo. artikel 6:5 en 6:6 Awb.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past bestaande en recent door de Hoge Raad verduidelijkte regels toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is primair procedureel van aard en relevant voor de belastingadviespraktijk, maar niet richtinggevend voor het recht als geheel.

Belangrijkste punten

  • 1Op grond van art. 8:24 lid 2 Awb kan de bestuursrechter van een niet-advocaat gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
  • 2De bestuursrechter in hoger beroep is niet gebonden aan de wijze waarop de rechter in eerste aanleg de machtiging heeft beoordeeld.
  • 3De rechter mag een recente machtiging verlangen die specifiek ziet op de procedure voor zijn gerecht en is afgegeven ná de bestreden uitspraak.
  • 4HR 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556) bevestigt en preciseert de reikwijdte van de bevoegdheid van de bestuursrechter bij het opvragen van een machtiging.
  • 5Het verzuim is niet hersteld binnen de gestelde termijn, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 6:6 Awb.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de door de Hoge Raad in april 2026 geformuleerde regels toe omtrent de machtigingsvereisten voor niet-advocaat gemachtigden in het bestuursprocesrecht, en verduidelijkt dat iedere instantie zelfstandig een specifieke machtiging kan verlangen. Dit versterkt de procedurele drempel voor niet-professionele rechtsbijstand in belastingzaken.

Praktische impact

Partijen die zich in belastingzaken laten vertegenwoordigen door een niet-advocaat gemachtigde dienen er rekening mee te houden dat zij voor elke afzonderlijke instantie een nieuwe, specifieke schriftelijke machtiging moeten overleggen, bij gebreke waarvan hun beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Onderwerp-impact

Voor de belastingpraktijk betekent dit dat belastingadviseurs en andere niet-advocaat gemachtigden bij het instellen van hoger beroep direct een deugdelijke, instantie-specifieke machtiging moeten meezenden om niet-ontvankelijkheid te voorkomen.

Samenvatting

In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag stond de ontvankelijkheid van een hoger beroep in een belastingkwestie centraal. De appellant werd vertegenwoordigd door een niet-advocaat gemachtigde. Het hof verlangde op grond van artikel 8:24 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een schriftelijke machtiging die specifiek betrekking had op de hogerberoepsprocedure. De gemachtigde slaagde er niet in binnen de gestelde hersteltermijn een dergelijke machtiging te overleggen. Het hof toetste aan de artikelen 6:5, 6:6 en 8:24 lid 2 Awb, die via artikel 6:24 en 8:108 lid 1 Awb ook van toepassing zijn in hoger beroep. Daarbij steunde het hof op het recente arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556), waarin is verduidelijkt dat de bestuursrechter in hoger beroep zelfstandig en onafhankelijk van de beoordeling in eerste aanleg redelijke eisen mag stellen aan de machtiging. Concreet mag de rechter een recente, instantie-specifieke machtiging verlangen die is opgemaakt ná de bestreden uitspraak. Omdat aan dit vereiste niet was voldaan en het verzuim niet binnen de geboden termijn was hersteld, verklaarde het Gerechtshof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Voor de proceskosten was geen aanleiding tot veroordeling. Deze uitspraak illustreert dat de procedurele eisen voor niet-advocaat gemachtigden in het bestuursprocesrecht strikt worden gehandhaafd en dat een machtiging uit een eerdere instantie niet automatisch volstaat voor de hogerberoepsprocedure. Voor belastingadviseurs en andere niet-advocaat vertegenwoordigers is het essentieel om bij aanvang van elke nieuwe instantie een deugdelijke, specifieke machtiging te overleggen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1454, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00280

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied