Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende machtiging gemachtigde
ECLI:NL:GHDHA:2026:2264, Gerechtshof Den Haag, 08-07-2026, BK-25/581
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 6:5, art. 6:6 en art. 8:24, lid 2, Awb: vertegenwoordigingsbevoegdheid. De beweerdelijk gemachtigde heeft geen recente machtiging overgelegd. Het hoger beroep is niet bevoegd ingesteld. Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Kern van de zaak
Een partij stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag in een belastingzaak. Het hoger beroep werd ingesteld door een gemachtigde die geen advocaat is. Het hof verlangde een schriftelijke machtiging op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb, waaraan niet (tijdig of deugdelijk) werd voldaan.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat de gemachtigde geen geldige schriftelijke machtiging heeft overgelegd, ondanks de wettelijke mogelijkheid dit te verlangen en de geboden herstelmogelijkheid. Het hof past daarbij de recent door de Hoge Raad (HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556) verduidelijkte bevoegdheid toe om een recente, procedure-specifieke machtiging te eisen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte zelfstandige impact omdat zij primair een toepassing is van de kort daarvoor gewezen Hoge Raad-uitspraak van april 2026. De praktische betekenis voor belastingprocedures met niet-advocaat gemachtigden is reëel maar betreft een procedurekwestie zonder inhoudelijke rechtsvraag.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb kan de bestuursrechter van een niet-advocaat gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
- 2De Hoge Raad heeft op 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556) verduidelijkt dat de rechter in hoger beroep zelfstandig en ongebonden aan eerdere instanties eisen mag stellen aan de machtiging.
- 3De bestuursrechter mag een recente machtiging verlangen die is afgegeven na de bestreden uitspraak en specifiek ziet op de hogerberoepsprocedure.
- 4Niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken van machtiging vereist dat de indiener eerst de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen (artikel 6:6 Awb).
- 5Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak past de recente Hoge Raad-rechtspraak van april 2026 toe, die bevestigt dat hogerberoepsrechters zelfstandig en strikt mogen optreden bij het ontbreken van een deugdelijke machtiging, ongeacht het oordeel van de lagere instantie. Dit verstevigt de procedurele poortwachtersfunctie van de bestuursrechter in hogerberoepsprocedures.
Praktische impact
Partijen die in belasting- of bestuurszaken worden vertegenwoordigd door een niet-advocaat gemachtigde dienen er rekening mee te houden dat het hof in hoger beroep een nieuwe, recente en procedure-specifieke machtiging kan verlangen, ook als in eerste aanleg al een machtiging werd geaccepteerd. Nalaten hieraan te voldoen leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Onderwerp-impact
In belastingprocedures waar belastingadviseurs of andere niet-advocaat gemachtigden optreden, moet bij het instellen van hoger beroep standaard een actuele en specifieke machtiging worden meegestuurd of snel worden overgelegd om niet-ontvankelijkheid te voorkomen.
Samenvatting
In deze belastingprocedure bij het Gerechtshof Den Haag stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. De zaak draaide niet om een inhoudelijk fiscaal geschil, maar om de vraag of de gemachtigde van de appellant — een niet-advocaat — een geldige schriftelijke machtiging had overgelegd om namens de appellant in hoger beroep op te treden. Op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Ingevolge artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien aan dit vereiste niet wordt voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Deze bepalingen zijn via artikel 6:24 en 8:108 lid 1 Awb ook van toepassing in hoger beroep. Het hof steunde zijn oordeel op het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556), waarin de Hoge Raad verduidelijkte dat de hogerberoepsrechter volledig zelfstandig en ongebonden aan het oordeel van de rechtbank eisen mag stellen aan de machtiging. Meer concreet mag de hogerberoepsrechter verlangen dat de machtiging recent is, is afgegeven ná de bestreden uitspraak, en specifiek ziet op de hogerberoepsprocedure voor zijn gerecht. Nu de gemachtigde — ondanks een geboden herstelmogelijkheid — geen deugdelijke machtiging heeft overgelegd die aan deze eisen voldeed, heeft het Gerechtshof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat strikt procedurebeheer bij de inzet van niet-advocaat gemachtigden in hogerberoepsprocedures essentieel is.