BPM-geschil over afschrijving beschadigde auto afgewezen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2263, Gerechtshof Den Haag, 08-07-2026, BK-25/623
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)BPM: belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de historische nieuwprijs van een ingevoerde auto met hagelschade op een hoger bedrag moet worden vastgesteld en dat de handelsinkoopwaarde op een lager bedrag moet worden vastgesteld. De naheffingsaanslag blijft in stand. Het hoger beroep is ongegrond.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige procedeert bij Gerechtshof Den Haag over de hoogte van de BPM-heffing op een ingevoerde auto. In geschil zijn de netto catalogusprijs, de historische nieuwprijs en het toe te passen afschrijvingspercentage voor schade. De inspecteur betwist de door belanghebbende gebruikte referentiewaarden uit de koerslijst AutotelexPro.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van belanghebbende wordt afgewezen; de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt welke netto catalogusprijs en handelsinkoopwaarde aan de auto moeten worden toegekend, omdat het gebruikte referentievoertuig wezenlijk verschilt van de auto in kwestie op het gebied van aandrijving, motorinhoud en motorvermogen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie toe op een feitelijk specifieke zaak zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is beperkt tot vergelijkbare BPM-importzaken met afwijkende voertuigspecificaties.
Belangrijkste punten
- 1De bewijslast voor de netto catalogusprijs en historische nieuwprijs ligt bij de belastingplichtige.
- 2De auto verschijnt niet in Nederlandse koerslijsten; de ATP-koerslijst kan niet zonder meer worden toegepast wegens relevante technische verschillen met het referentievoertuig.
- 3Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een hoger schade-aftrekpercentage (90% in plaats van 31%) gerechtvaardigd is.
- 4Binnen de taxatiemethode dient de belastingplichtige te bewijzen dat de door de inspecteur vastgestelde handelsinkoopwaarde als geheel te hoog is (HR 21 september 2018 en HR 17 januari 2020).
- 5Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de bewijslastverdeling bij BPM-procedures: de belastingplichtige die een lagere belastinggrondslag bepleit, draagt volledig de bewijslast en kan een koerslijst niet gebruiken als het referentievoertuig technisch wezenlijk afwijkt. Dit sluit aan bij vaste Hoge Raad-jurisprudentie over de verdeling van de bewijslast bij belastingvermindering.
Praktische impact
Importeurs en particulieren die BPM willen verminderen op basis van schade of afwijkende voertuigspecificaties, moeten zorgen voor gedegen en onderbouwd bewijs; een niet-passend referentievoertuig in een koerslijst volstaat niet als bewijs voor de grondslag.
Onderwerp-impact
Voor de autohandel en importeurs benadrukt deze uitspraak dat bij het gebruik van koerslijsten voor BPM-doeleinden de vergelijkbaarheid van het referentievoertuig op alle relevante technische aspecten moet worden aangetoond.
Samenvatting
In deze belastingprocedure bij Gerechtshof Den Haag stond de BPM-aanslag op een ingevoerde personenauto centraal. Belanghebbende betwistte de door de inspecteur gehanteerde netto catalogusprijs, historische nieuwprijs en het afschrijvingspercentage voor schade. De auto van belanghebbende kwam niet voor in de in Nederland gangbare koerslijsten. Belanghebbende baseerde zijn stellingen op de koerslijst AutotelexPro (ATP), waarbij hij aansloot bij een referentievoertuig in die lijst en de CO2-uitstoot van zijn eigen auto. De inspecteur betwistte dit echter gemotiveerd: het referentievoertuig verschilt op de punten aandrijving, motorinhoud en motorvermogen wezenlijk van de auto van belanghebbende, waardoor de koerslijstwaarden niet zonder meer kunnen worden overgenomen. Het Hof stelt voorop dat de bewijslast voor de netto catalogusprijs en de historische nieuwprijs bij de belastingplichtige ligt. Nu de inspecteur de technische verschillen onweersproken heeft gesteld en de auto niet in een koerslijst voorkomt, heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt welke handelsinkoopwaarde en catalogusprijs aan de auto moeten worden toegekend. Zijn gebruik van het referentievoertuig biedt daarvoor geen afdoende grondslag. Met betrekking tot het schade-afschrijvingspercentage overweegt het Hof, onder verwijzing naar Hoge Raad-arresten uit 2018 en 2020, dat bij de taxatiemethode de belastingplichtige moet bewijzen dat de door de inspecteur vastgestelde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat als geheel te hoog is. Belanghebbende stelde primair dat 90% van het brutoschadebedrag van € 10.695 in aftrek moet worden aanvaard in plaats van de door de inspecteur gehanteerde 31%, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en wijst het hoger beroep af. Beide partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.