Samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting terecht toegepast op bouwterrein
ECLI:NL:GHDHA:2026:2237, Gerechtshof Den Haag, 10-06-2026, BK-25/114
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 15, lid 1, onderdeel a, WBR. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden om de samenloopvrijstelling toe te passen. Belanghebbende kan in de onderhavige procedure niet de vraag aan de orde stellen of een derde is aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting en omzetbelasting in rekening had moeten brengen.
Kern van de zaak
Een belanghebbende heeft een perceel gekocht van een Parochie en beroept zich op de samenloopvrijstelling van overdrachtsbelasting. De Inspecteur stelt dat de Parochie niet als ondernemer voor de omzetbelasting heeft gehandeld, zodat geen omzetbelasting verschuldigd is en de vrijstelling niet geldt. De Rechtbank vernietigde de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting, waarna de Inspecteur hoger beroep instelde.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag behandelt het hoger beroep van de Inspecteur tegen de vernietiging van de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting door de Rechtbank. De kern van het geschil is of de samenloopvrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a WBR van toepassing is, waarbij de vraag centraal staat of het perceel kwalificeert als een bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel a, Wet OB. De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst niet volledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing van het Hof onzeker is.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een relatief specifieke fiscale kwestie over de samenloopvrijstelling bij een bouwterrein geleverd door een niet-ondernemer, maar heeft bredere relevantie voor vastgoedtransacties waarbij de verkoper mogelijk geen BTW-ondernemer is. De uitspraak is van het Hof (niet de Hoge Raad) en de beslissing is onvolledig weergegeven.
Belangrijkste punten
- 1De samenloopvrijstelling (art. 15 lid 1 onderdeel a WBR) voorkomt cumulatie van omzetbelasting en overdrachtsbelasting bij levering van onroerende zaken.
- 2De Inspecteur stelt dat de Parochie onherroepelijk niet als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert, waardoor geen OB verschuldigd is en de vrijstelling niet geldt.
- 3Het perceel dient te kwalificeren als bouwterrein in de zin van art. 11 lid 1 onderdeel a Wet OB voor toepasselijkheid van de samenloopvrijstelling.
- 4Parlementaire geschiedenis bevestigt dat de vrijstelling ook geldt voor 'nieuwbouw' in de bouw- en handelsfase, ongeacht of de verkrijger de OB in aftrek kan brengen (HR 10 juni 2011).
- 5De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting reeds vernietigd; het Hof beoordeelt het hoger beroep van de Inspecteur.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak benadrukt de toepassing van de samenloopvrijstelling in de WBR bij leveringen van bouwterreinen en de vraag of de ondernemersstatus van de verkoper een voorwaarde is voor die vrijstelling. De verwijzing naar HR 10 juni 2011 bevestigt dat voor nieuwbouwsituaties de aftrekbaarheid van OB bij de verkrijger geen rol speelt.
Praktische impact
Voor kopers van bouwterreinen is van belang of de verkoper als BTW-ondernemer kwalificeert, omdat dit bepalend is voor de samenloopvrijstelling en daarmee of overdrachtsbelasting verschuldigd is. Non-profitorganisaties zoals parochies die onroerend goed verkopen kunnen fiscaal complexe situaties veroorzaken bij de koper.
Onderwerp-impact
Deze zaak raakt de vastgoedpraktijk bij de verkoop van (kerkelijke) gronden die als bouwterrein kwalificeren, en de fiscale behandeling daarvan in de overdrachts- en omzetbelasting.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag staat de vraag centraal of de samenloopvrijstelling van overdrachtsbelasting (artikel 15, lid 1, onderdeel a WBR) van toepassing is op de verkrijging van een perceel dat als bouwterrein kwalificeert in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel a, Wet OB. Belanghebbende heeft het perceel gekocht van een Parochie en stelt zich op het standpunt dat de vrijstelling geldt omdat de levering een belastbaar bouwterrein betreft. De Inspecteur betwist dit door te stellen dat de Parochie onherroepelijk niet als ondernemer voor de omzetbelasting heeft gehandeld ter zake van de levering, zodat geen omzetbelasting verschuldigd is en de samenloopvrijstelling daarmee niet in beeld komt. De Rechtbank had de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting vernietigd en de Inspecteur in de proceskosten veroordeeld, waarna de Inspecteur hoger beroep instelde bij het Gerechtshof. Het Hof schetst de wettelijke en historische context van de samenloopvrijstelling: deze is bedoeld om cumulatie van OB en overdrachtsbelasting te voorkomen én om nieuwbouw in de bouw- en handelsfase vrij te stellen, waarbij voor de nieuwbouwsituatie de aftrekbaarheid van OB bij de verkrijger niet relevant is, conform HR 10 juni 2011. De cruciale rechtsvraag is of het perceel als bouwterrein kwalificeert en of de ondernemersstatus van de verkoper een vereiste is voor toepassing van de vrijstelling. De volledige beslissing van het Hof is op basis van de beschikbare tekst niet volledig weergegeven, waardoor de uitkomst van het hoger beroep met enige onzekerheid moet worden beschreven. De zaak is relevant voor de vastgoedpraktijk, met name bij aankoop van gronden van niet-commerciële partijen.