JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2182Middel38/100

Nederlands recht van toepassing op huwelijksvermogen bij dubbele nationaliteit

ECLI:NL:GHDHA:2026:2182, Gerechtshof Den Haag, 03-06-2026, 200.351.550/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 3 juni 2026Publicatie: 3 juli 2026
Zaaknummer:200.351.550/01
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Huwelijksvermogensregime
Dubbele Nationaliteit
Haags Huwelijksvermogensverdrag
Eerste Gewone Verblijfplaats
Echtscheiding Internationaal

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Door de vrouw is geen beroep gedaan op afstand van de huwelijksgoederengemeenschap art 1:103 BW . De man heeft geen verklaring kunnen geven waaraan hij de lening van € 1.400.000 heeft besteed. Partijen hebben het hof onvoldoende gegevens verstrekt om de wijze van verdeling te gelasten. Dat ontbinding wettelijke gemeenschap van goederen is de datum waarop de vrouw in Marokko het verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend.

Kern van de zaak

Een echtpaar met zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit procedeert over welk recht hun huwelijksvermogensregime beheerst. De vrouw stelt dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Marokko vestigden; de man betwist dit. Het gaat om de verdeling van het huwelijksvermogen na een echtscheiding die deels ook in Marokko is uitgesproken.

Beslissing van de rechter

Het hof oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Doorslaggevend is dat partijen bij dubbele gemeenschappelijke nationaliteit (Marokkaans én Nederlands) op grond van artikel 15 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 de nationaliteitsregel niet kunnen inroepen, waardoor de eerste gewone verblijfplaats na huwelijkssluiting bepalend is, en die lag in Nederland.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past bestaande verdragsregels toe op een niet-zeldzame feitelijke situatie (dubbele nationaliteit bij bi-nationale echtparen) en heeft daarmee praktische relevantie voor een specifieke groep, maar stelt geen nieuwe rechtsregels en is gewezen door een hof in een feitelijke instantie.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 15 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 sluit toepassing van de nationaliteitsregel uit wanneer echtgenoten meer dan één gemeenschappelijke nationaliteit bezitten.
  • 2Bij het ontbreken van een rechtskeuze vóór het huwelijk én bij uitsluiting van de nationaliteitsregel geldt de eerste gewone verblijfplaats na huwelijkssluiting als aanknopingspunt (artikel 4 HHV 1978).
  • 3De vrouw heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de eerste gewone verblijfplaats in Marokko lag; BRP-gegevens en partijverklaringen wijzen op Nederland.
  • 4Er is een parallel aan de gang zijnde procedure in Marokko, waarbij de Marokkaanse rechter op 7 september 2023 de echtscheiding heeft uitgesproken.
  • 5De rechtbank had partijen eerder opgedragen de Marokkaanse uitspraak over te leggen met beëdigde Nederlandse vertaling, wat de internationale dimensie van de zaak onderstreept.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 15 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bij meervoudige gemeenschappelijke nationaliteit en bevestigt dat in dat geval de eerste gewone verblijfplaats als enig aanknopingspunt resteert. Dit is relevant voor een groeiende groep bi-nationale echtparen waarbij Nederland één van de nationaliteiten is.

Praktische impact

Voor het echtpaar betekent dit dat de verdeling van het huwelijksvermogen plaatsvindt naar Nederlands recht (gemeenschap van goederen of het regime dat gold op het moment van huwelijkssluiting), wat aanzienlijke financiële consequenties kan hebben ten opzichte van een verdeling naar Marokkaans recht.

Onderwerp-impact

Bi-nationale echtparen met zowel een Europese als een niet-Europese nationaliteit dienen zich bewust te zijn dat de nationaliteitsregel bij dubbele gemeenschappelijke nationaliteit buiten toepassing blijft, waardoor de feitelijke vestigingsplaats na het huwelijk cruciaal is voor het toepasselijke vermogensrecht.

Samenvatting

Deze beschikking van het Gerechtshof Den Haag betreft een echtscheidingszaak met internationale elementen, waarbij het centrale geschilpunt is welk recht het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst. Beide echtelieden bezaten zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit, zowel voor als na de huwelijkssluiting. Een rechtskeuze voorafgaand aan het huwelijk ontbreekt. Het hof past het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 toe. Artikel 4 van dat verdrag bepaalt dat, bij gebreke van een rechtskeuze, het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van de staat waar de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Hierop bestaat een uitzondering wanneer echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit bezitten — in dat geval zou het nationale recht van toepassing zijn. Echter, artikel 15 HHV 1978 sluit deze nationaliteitsregel uitdrukkelijk uit wanneer de echtgenoten meer dan één gemeenschappelijke nationaliteit bezitten. Nu beide partijen zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit hebben, valt de nationaliteitsuitzondering weg en resteert de eerste gewone verblijfplaats als bepalend aanknopingspunt. Over de vraag waar die eerste gewone verblijfplaats lag, bestaat discussie: de vrouw betoogt Marokko, de man Nederland. Het hof oordeelt dat de vrouw haar stellingen over Marokko onvoldoende concreet heeft onderbouwd, terwijl BRP-gegevens en verklaringen ter zitting wijzen op Nederland als eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting. Op grond hiervan concludeert het hof dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Parallel aan deze procedure heeft een Marokkaanse rechter op 7 september 2023 reeds de echtscheiding uitgesproken, hetgeen de internationale complexiteit van de zaak illustreert. De uitspraak is praktisch relevant voor bi-nationale echtparen bij wie de nationaliteitsregel door meervoudige gemeenschappelijke nationaliteit buiten spel wordt gezet.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Internationaal privaatrecht

ECLI:NL:HR:2026:1287Middel
Belastingrecht
Internationaal privaatrecht

ECLI:NL:HR:2026:1287, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02811

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
55/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1196Hoog
Mededingingsrecht
Europees civiel recht

ECLI:NL:HR:2026:1196, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03443, 24/03448, 24/03449, 24/03452

Hoge Raad17 jul 2026SchadevergoedingAansprakelijkheid
58/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1278Hoog
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:HR:2026:1278, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/01295

Hoge Raad17 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
62/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1248Hoog
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:HR:2026:1248, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/02424

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
62/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied