Vennootschapsrechtelijk ongeldig dividendbesluit toch belast als uitdeling
ECLI:NL:GHDHA:2026:2169, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, BK-25/842
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Navorderingsaanslag IB/PVV 2019. Art. 4.12, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 en art. 4.13, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001. Verkapte uitdeling door holding vennootschap terecht belast als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij belanghebbende. Voorwaarden voor een onbelaste uitkering op grond van artikel 4.13, aanhef en letter b, Wet IB 2001 niet vervuld, ook niet als gevolg van ‘herstelacties’ in 2023. Beroep op dwaling afgewezen.
Kern van de zaak
Een aandeelhouder ontving in 2019 een betaling van een uitzendbureau, gebaseerd op een dividendbesluit van de holding. Fiscus kwalificeerde dit als belaste uitdeling. Eiser betwistte dit onder meer met een beroep op dwaling, stellende dat het besluit vennootschapsrechtelijk ongeldig was.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het beroep van eiser af en bevestigt dat de betaling fiscaal als uitdeling kwalificeert. Doorslaggevend is dat voor toepassing van het belastingrecht niet vereist is dat een vennootschapsrechtelijk rechtsgeldig dividendbesluit aan de betaling ten grondslag ligt; een vermogensverschuiving van vennootschap naar aandeelhouder met bevoordelingsbedoeling volstaat.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over de autonome fiscaalrechtelijke uitdelingstoets en voegt geen nieuw recht toe, maar is praktisch relevant voor holdingstructuren en aandeelhouders die menen met een vennootschapsrechtelijk gebrek een belaste uitdeling te kunnen neutraliseren.
Belangrijkste punten
- 1Het dividendbesluit van 14 oktober 2019 was vennootschapsrechtelijk ongeldig omdat de vergadering van aandeelhouders van Holding niet bevoegd was te besluiten tot uitkering van dividend door het Uitzendbureau.
- 2Voor fiscale kwalificatie als voordeel uit aandelen (art. 4.12, onderdeel a, Wet IB 2001) is een rechtsgeldige vennootschapsrechtelijke grondslag niet vereist; een bewuste vermogensverschuiving met bevoordelingsbedoeling volstaat.
- 3Het beroep op dwaling faalt reeds omdat het ongeldig besluit geen vernietigbare rechtshandeling oplevert.
- 4Een belastbaar feit dat zich in een bepaald jaar heeft voorgedaan kan niet met terugwerkende kracht ongedaan worden gemaakt door de uitdeling in een later jaar terug te draaien.
- 5De rechtbank acht niet aannemelijk dat er ooit een serieuze terugbetalingsverplichting heeft bestaan, zodat ook langs die weg geen fiscale correctie mogelijk is.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de fiscaalrechtelijke kwalificatie van een uitdeling autonoom is ten opzichte van het vennootschapsrecht: ook een vennootschapsrechtelijk gebrekkig dividendbesluit kan leiden tot een belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang. Pogingen om achteraf via dwaling of terugbetaling een belastbaar feit ongedaan te maken worden door de rechter kritisch beoordeeld.
Praktische impact
Aandeelhouders en hun adviseurs worden bevestigd in het risico dat betalingen die feitelijk een vermogensverschuiving met bevoordelingsbedoeling vormen, ongeacht procedurele gebreken in de besluitvorming, direct belastbare inkomsten uit aanmerkelijk belang genereren die niet eenvoudig kunnen worden teruggedraaid.
Onderwerp-impact
Voor holdingstructuren met werkmaatschappijen is bijzondere aandacht geboden: een dividendbesluit moet worden genomen door de juiste vennootschap, maar een vergissing daarin biedt geen fiscaal veilige haven als de feitelijke vermogensverschuiving al heeft plaatsgevonden.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag stond centraal of een betaling die in 2019 werd verricht door een uitzendbureau aan zijn indirect aandeelhouder, fiscaal kwalificeert als een belaste uitdeling in box 2 (aanmerkelijk belang). De betaling was gebaseerd op een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van de holding, maar de holding was vennootschapsrechtelijk niet bevoegd te besluiten tot uitkering van dividend door haar dochter, het uitzendbureau. Eiser betoogde dat het besluit daardoor ongeldig was en probeerde de belastingheffing te ontlopen door een beroep op dwaling en door te stellen dat de uitdeling nadien was teruggedraaid. Het hof verwerpt deze verweren. Centraal in de redenering staat het fiscaalrechtelijke autonomiebeginsel: of sprake is van een voordeel getrokken uit aandelen in de zin van artikel 4.12, onderdeel a, Wet IB 2001 hangt niet af van de vennootschapsrechtelijke geldigheid van een dividendbesluit. Beslissend is of een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden van de vennootschap naar de aandeelhouder, met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen. Aan die voorwaarden was voldaan: zowel de holding als de aandeelhouder waren zich blijkens de aandeelhoudersnotulen bewust van de strekking van de betaling. Het beroep op dwaling stuit af op het ontbreken van een vernietigbare rechtshandeling, nu het besluit reeds nietig was. Bovendien geldt dat een belastbaar feit dat zich in 2019 heeft voorgedaan niet met terugwerkende kracht kan worden uitgewist door de uitdeling in een later jaar terug te draaien; een dergelijke terugbetaling heeft slechts fiscale gevolgen in het jaar van terugbetaling zelf. Ten slotte acht het hof ook feitelijk niet aannemelijk dat er ooit een serieuze bedoeling tot terugbetaling heeft bestaan. De aanslag blijft derhalve in stand.