Hof Den Haag: WOZ-proceskostenvergoeding zonder bijzonder-gevaluitzondering
ECLI:NL:GHDHA:2026:1837, Gerechtshof Den Haag, 23-04-2026, BK-25/377
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 30a Wet WOZ, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm. Bijzonder geval, geen no cure no pay.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (via gemachtigde) procedeert over de hoogte van de WOZ-proceskostenvergoeding. In geschil is of de gemachtigde als 'bijzonder geval' kwalificeert waardoor de verlaagde vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a Wet WOZ buiten toepassing moet blijven. De zaak hangt samen met het Hoge Raad-arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46) dat criteria stelde voor uitzonderingen op de verlaagde factor.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag doet uitspraak in hoger beroep over de vraag of de gemachtigde van belanghebbende als 'bijzonder geval' moet worden aangemerkt; de uitkomst van de hogerberoepsprocedure zelf is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar. De doorslaggevende rechtsvraag is de uitleg van rechtsoverweging 3.5.2 van HR 2025:46 over de toepasselijkheid van de verlaagde proceskostenfactor in WOZ-zaken.
Impactscore
MiddelDe zaak past in een reeks uitspraken over de gewijzigde WOZ-proceskostenregeling en heeft relevantie voor een groot aantal vergelijkbare procedures, maar stelt zelf geen nieuwe rechtsregels; de beschikbare tekst is bovendien onvolledig waardoor de uiteindelijke beslissing onzeker is.
Belangrijkste punten
- 1Centrale vraag is of de gemachtigde kwalificeert als 'bijzonder geval' ex HR ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, om de verlaagde factor 0,25 van art. 30a lid 2 Wet WOZ te ontlopen.
- 2Artikel 30a Wet WOZ (ingevoerd bij Stb. 2023, 507) beperkt de proceskostenvergoeding in WOZ-zaken structureel via een vermenigvuldigingsfactor van 0,25.
- 3De rechtbank had de vergoeding vastgesteld op € 1.875,76 inclusief kosten deskundigenrapport (€ 128,26) en griffierecht (€ 371).
- 4De betaling van proceskosten moet ingevolge art. 30a lid 4 Wet WOZ uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening op naam van belanghebbende zelf; de rechtbank acht zich onbevoegd dit te toetsen.
- 5De bevoegdheid om te oordelen over uitbetaling aan een derde (zoals een gemachtigde/no cure no pay-bureau) ligt bij de burgerlijke rechter (HR ECLI:NL:HR:2025:156).
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de reikwijdte van de 'bijzonder geval'-uitzondering uit HR 2025:46 bij de verlaagde WOZ-proceskostenfactor en bevestigt de harde uitbetalingsregel van art. 30a lid 4 Wet WOZ. De uitkomst is relevant voor de grote stroom WOZ-procedures waarbij no cure no pay-gemachtigden optreden.
Praktische impact
Belastingplichtigen die via no cure no pay-gemachtigden WOZ-procedures voeren, ontvangen proceskosten op eigen rekening en profiteren slechts van de hogere vergoeding indien de gemachtigde als 'bijzonder geval' wordt erkend; in de meeste gevallen geldt de verlaagde factor 0,25.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedpraktijk en WOZ-adviesbureaus beperkt de wetgeving de financiële aantrekkelijkheid van massale WOZ-bezwaarprocedures aanzienlijk, wat het verdienmodel van no cure no pay-kantoren onder druk zet.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag staat de proceskostenvergoeding in WOZ-procedures centraal. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot een vergoeding van € 1.875,76, berekend met toepassing van de verlaagde vermenigvuldigingsfactor van 0,25 op grond van artikel 30a lid 2 Wet WOZ (ingevoerd bij Stb. 2023, 507). Tevens werd het griffierecht van € 371 vergoed en diende uitbetaling conform artikel 30a lid 4 Wet WOZ te geschieden op een bankrekening op naam van belanghebbende zelf. In hoger beroep voert belanghebbende aan dat zijn gemachtigde als 'bijzonder geval' moet worden aangemerkt in de zin van rechtsoverweging 3.5.2 van het Hoge Raad-arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46). In dat arrest erkende de Hoge Raad dat in uitzonderlijke omstandigheden de verlaagde WOZ-factor buiten toepassing kan blijven. Belanghebbende wil op basis hiervan een volledige proceskostenvergoeding zonder de beperkende factor. Het hof buigt zich over de vraag of de concrete omstandigheden van de gemachtigde voldoen aan de criteria voor zo'n bijzonder geval. Daarnaast speelt de vraag of artikel 30a lid 4 Wet WOZ – de verplichting om vergoedingen uitsluitend op de rekening van de belastingplichtige zelf over te maken – onrechtmatig is. De rechtbank achtte zich hierover als bestuursrechter onbevoegd; enkel de civiele rechter kan hierover oordelen (HR ECLI:NL:HR:2025:156). De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van het hof niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De zaak illustreert de bredere spanning tussen de wetgever die de proceskostenvergoeding in WOZ-zaken structureel heeft ingeperkt en no cure no pay-gemachtigden die via de 'bijzonder geval'-route een hogere vergoeding nastreven.