Afwaardering crypto-tokens BV terecht geweigerd door inspecteur
ECLI:NL:GHDHA:2026:1023, Gerechtshof Den Haag, 19-03-2026, BK-25/539
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanslag Vpb. Afwaardering cryptotokens ten laste van het resultaat van de BV terecht niet toegestaan, nu de token agreement door de DGA in privé is gesloten.
Kern van de zaak
Een BV stelt dat haar DGA in 2018 namens de vennootschap heeft geïnvesteerd in tokens voor €250.000 en vordert afwaardering ten laste van het resultaat van de BV in 2019. De belastinginspecteur en de rechtbank wezen dit af omdat de Token Agreement op naam van de DGA privé staat. De BV gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond; de afwaardering van €250.000 komt niet ten laste van het resultaat van de BV. Doorslaggevend is dat de Token Agreement en de Token Receipt uitsluitend op naam van de DGA in privé staan, en dat de BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat de investering namens de vennootschap werd gedaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over bewijslastverdeling en zakelijkheid van uitgaven in de vennootschapsbelasting; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld, maar de toepassing op een crypto-tokeninvestering geeft enige praktische relevantie.
Belangrijkste punten
- 1De bewijslast rust op belanghebbende (de BV) om aannemelijk te maken dat de investering zakelijk en namens de BV is gedaan.
- 2De Token Agreement en Token Receipt staan op naam van de DGA privé, zonder enige verwijzing naar de BV als contractspartij.
- 3Ondersteunende documenten (e-mailcorrespondentie, boekhoudstukken) ontbreken, terwijl de inspecteur hier tijdig en herhaaldelijk om heeft verzocht.
- 4Het argument dat stukken verloren zijn gegaan door het faillissement van de BV wordt verworpen, omdat de verzoeken werden gedaan ruim vóór de faillissementsdatum.
- 5De afwaardering van de tokens blijft privé bij de DGA en kan niet worden afgetrokken als zakelijk verlies van de BV.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat civielrechtelijke kwalificatie van een overeenkomst (op naam van DGA privé versus de BV) bepalend is voor de fiscale toerekening van verliezen, en dat de bewijslast hieromtrent volledig bij de belastingplichtige ligt.
Praktische impact
DGA's die namens hun vennootschap willen investeren, dienen dit uitdrukkelijk en schriftelijk vast te leggen in contracten en correspondentie; het achteraf claimen van een zakelijk karakter zonder contemporain bewijs is fiscaal uiterst risicovol.
Onderwerp-impact
Voor de crypto- en tokenmarkt onderstreept deze uitspraak dat investeringen in digitale tokens via een BV zorgvuldig moeten worden gedocumenteerd om fiscale afwaardering op vennootschapsniveau mogelijk te maken.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag in een vennootschapsbelastingkwestie. Een BV stelde dat haar directeur-grootaandeelhouder (DGA) in augustus 2018 namens de vennootschap had geïnvesteerd in zogenoemde tokens bij een LLC, voor een bedrag van €250.000. Omdat de tokens in waarde waren gedaald, wenste de BV dit verlies in 2019 ten laste van haar fiscale resultaat te brengen via een afwaardering. De belastinginspecteur weigerde dit en de rechtbank bevestigde die weigering. In hoger beroep oordeelt het Gerechtshof Den Haag dat de BV er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de investering zakelijk en namens de vennootschap werd gedaan. De Token Agreement en de bevestiging van de investering (Token Receipt) staan beide uitsluitend op naam van de DGA in privé, zonder enige vermelding van de BV als contractspartij of in hoedanigheid handelende partij. Doorslaggevend voor het hof is voorts het ontbreken van ondersteunend bewijs, zoals e-mailcorrespondentie of administratieve stukken die erop wijzen dat de investering namens de BV plaatsvond. De inspecteur had hier al in augustus 2021 expliciet om verzocht, gevolgd door herhaalde verzoeken. Het verweer van de BV dat de stukken verloren zijn gegaan door haar latere faillissement, wordt verworpen: de verzoeken zijn gedaan ruim voordat het faillissement plaatsvond, op een moment dat de BV nog over haar eigen administratie beschikte. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De afwaardering van €250.000 kan niet ten laste van het resultaat van de BV worden gebracht. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.