Verzoek gecombineerde achternaam kinderen ongehuwde ouders afgewezen
ECLI:NL:GHARL:2026:5840, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2026, 200.364.749
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naamrecht, gecombineerde geslachtsnaam, overgangsrecht, artikel 1:27 BW, artikel IIIB lid 1 WIGG, artikel 8 EVRM, evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, toetsingsverbod artikel 120 Grondwet
Kern van de zaak
Een moeder (en vader) van drie kinderen verzoeken de burgerlijke stand een gecombineerde geslachtsnaam voor hun kinderen te registreren op grond van de Wet inburgering gecombineerde geslachtsnaam (WIGG). De ouders zijn niet gehuwd en willen dat ook niet. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de rechtbank wezen het verzoek af, waarna de moeder in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het hoger beroep af. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat ongehuwde samenwoners juridisch geen gelijke gevallen zijn als gehuwden, en het beroep op het vertrouwensbeginsel is onvoldoende onderbouwd omdat niet aan alle stappen voor erkenning van gewekt vertrouwen is voldaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak en wetgeving toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de reikwijdte is beperkt tot individuele gevallen van ongehuwde ouders die de WIGG proberen in te roepen.
Belangrijkste punten
- 1De WIGG is niet van toepassing op ongehuwde ouders die geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan.
- 2Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt: ongehuwde samenwoners en gehuwden zijn juridisch geen gelijke gevallen, nu huwelijk en geregistreerd partnerschap andere rechtsgevolgen hebben.
- 3De moeder onderbouwt geen concreet gelijk geval; de hypothetische situatie van alsnog trouwen is geen gelijk geval.
- 4Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt: mededelingen van een publiekspersvoorlichter en een ministeriemedewerker volstaan niet als rechtens te honoreren toezeggingen.
- 5Het hof volgt de driestapentoets van de Afdeling Bestuursrechtspraak (ABRvS 29 mei 2019) bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de WIGG uitsluitend van toepassing is op gehuwden en geregistreerde partners, en dat samenwonen daar juridisch niet mee gelijk wordt gesteld. Mededelingen van overheidsvoorlichters leiden niet snel tot honoreerbaar gewekt vertrouwen.
Praktische impact
Ongehuwde ouders die hun kinderen een gecombineerde achternaam willen geven, kunnen dit niet bereiken via de WIGG zolang zij niet trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan. Informatie van overheidslokketten schept in beginsel geen afdwingbare rechten.
Onderwerp-impact
Voor het personen- en familierecht bevestigt deze uitspraak de grens van de naamwetgeving: de wetgever heeft bewust onderscheid gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden bij naamkeuzemogelijkheden voor kinderen.
Samenvatting
In deze zaak verzochten de ouders van drie minderjarige kinderen de ambtenaar van de burgerlijke stand van hun gemeente om voor elk van de kinderen een akte van naamkeuze op te maken, zodat de kinderen een gecombineerde (dubbele) geslachtsnaam zouden krijgen. De ouders beriepen zich daarvoor op de Wet inburgering gecombineerde geslachtsnaam (WIGG). De ambtenaar van de burgerlijke stand wees het verzoek af, de rechtbank bekrachtigde deze beslissing, en de moeder ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De vader sloot zich aan bij de verzoeken van de moeder. Het hof stelde vast dat de WIGG niet van toepassing is op de situatie van de ouders, omdat zij niet gehuwd zijn en geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, en dit ook niet willen. De moeder voerde twee verweren. Ten eerste een beroep op het gelijkheidsbeginsel: zij stelde dat het ongeoorloofd onderscheid oplevert dat gehuwden wel gebruik kunnen maken van de WIGG en ongehuwden niet. Het hof verwierp dit betoog, omdat huwelijk en geregistreerd partnerschap wezenlijk andere rechtsgevolgen hebben dan samenwonen. Ongehuwde samenwoners en gehuwden zijn daardoor juridisch geen gelijke gevallen. Bovendien benoemde de moeder geen concreet gelijk geval, waardoor het beroep onvoldoende was onderbouwd. Ten tweede deed de moeder een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij stelde dat een publiekspersvoorlichter van de Rijksoverheid en een medewerker van het ministerie van Justitie en Veiligheid haar hadden laten geloven dat de WIGG wél op haar kinderen van toepassing zou zijn, en dat zij op basis daarvan keuzes had gemaakt over het gebruik van een dubbele achternaam in het dagelijks leven. Het hof paste de driestapentoets toe die de Afdeling Bestuursrechtspraak heeft geformuleerd (ABRvS 29 mei 2019) en oordeelde dat de gestelde mededelingen niet als rechtens te honoreren toezeggingen konden worden gekwalificeerd. Het hoger beroep werd afgewezen.