Hof stelt eerdere ingangsdatum kinderalimentatie vast
ECLI:NL:GHAMS:2026:2703, Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2026, 200.361.758/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)vaststelling kinderbijdrage. Ouders hebben nooit in gezinsverband samengewoond.
Kern van de zaak
Een vader en moeder twisten over de ingangsdatum van kinderalimentatie na echtscheiding. De rechtbank had de ingangsdatum bepaald op 22 augustus 2025 (datum beschikking). De moeder vorderde in hoger beroep een eerdere ingangsdatum, te weten 11 juli 2024 of 22 oktober 2024.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vordering van de moeder deels toe en stelt de ingangsdatum vast op 22 oktober 2024, de datum waarop de moeder haar zelfstandig verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie indiende. Vanaf die datum moest de vader er redelijkerwijs rekening mee houden dat hij kinderalimentatie zou moeten betalen.
Impactscore
LaagHet betreft een individueel familierechterlijk geschil over de ingangsdatum van kinderalimentatie. De uitkomst is casuïstisch en voegt weinig nieuws toe aan de bestaande rechtspraak rondom artikel 1:402 BW.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 1:402 BW geeft de rechter grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting.
- 2De ingangsdatum is vastgesteld op de datum van indiening van het zelfstandig verzoek van de moeder (22 oktober 2024), niet op de eerdere datum van het verzoek van de vader.
- 3Vanaf de datum van indiening van het verzoek kon de vader redelijkerwijs rekening houden met een betalingsverplichting.
- 4De vader was ontvankelijk in zijn hoger beroep ondanks het niet indienen van alle stukken van de rechtbankprocedure.
- 5Het hof stelt de behoefte van het kind ambtshalve vast op basis van in hoger beroep overgelegde financiële gegevens, nu de rechtbank dit wegens onvoldoende gegevens niet had kunnen doen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat rechters de ingangsdatum van alimentatie kunnen koppelen aan het moment waarop de alimentatieplichtige redelijkerwijs op de hoogte moest zijn van de verplichting, ook als dat vóór de beschikking ligt. De vrijheid van artikel 1:402 BW wordt hier concreet ingevuld.
Praktische impact
De vader dient met terugwerkende kracht vanaf 22 oktober 2024 kinderalimentatie te betalen, wat een financiële nabetaling oplevert ten opzichte van de oorspronkelijke beschikking van de rechtbank. De moeder krijgt gedeeltelijk gelijk in haar hoger beroep.
Onderwerp-impact
In familiezaken met alimentatiegeschillen onderstreept deze uitspraak het belang van het tijdig indienen van een zelfstandig verzoek, omdat dit de ingangsdatum en daarmee de omvang van de nabetaling beïnvloedt.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam twistten een vader en moeder over de ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie van € 300,- per maand. De rechtbank had bij beschikking van 22 augustus 2025 de ingangsdatum gesteld op die datum zelf. De moeder ging in hoger beroep en verzocht een eerdere ingangsdatum, primair 11 juli 2024 (datum verzoek vader) dan wel 22 oktober 2024 (datum eigen verzoek moeder). De vader stond achter de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum. Het hof verwierp eerst het meest verstrekkende verweer van de moeder, dat de vader niet-ontvankelijk zou zijn wegens het niet overleggen van alle stukken. Op grond van het toepasselijke procesreglement oordeelde het hof dat de vader wel ontvankelijk was. Inhoudelijk oordeelde het hof dat artikel 1:402 BW de rechter grote vrijheid biedt bij het vaststellen van de ingangsdatum. Het hof achtte het redelijk om de ingangsdatum te stellen op 22 oktober 2024, de datum waarop de moeder haar zelfstandig verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie had ingediend. Vanaf dat moment moest de vader er redelijkerwijs rekening mee houden dat hij een bijdrage zou moeten betalen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking op dit punt en stelde de ingangsdatum vast op 22 oktober 2024. Daarnaast stelde het hof ambtshalve de behoefte van het kind vast, nu de rechtbank dat wegens ontbrekende financiële gegevens niet had kunnen doen, maar partijen in hoger beroep alsnog de benodigde gegevens hadden overgelegd. De uitspraak is een praktische toepassing van bestaande alimentatierechtspraak en heeft beperkte precedentwerking buiten de individuele zaak.