Hof verwerpt late verzoekwijziging in bewind- en mentorschapszaak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2624, Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026, 200.358.566/01 en
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)mentorschap en bewind. Het hof acht voortzetting van het bewind voorlopig noodzakelijk. Gronden voor een mentorschap waren achteraf bezien niet aanwezig.
Kern van de zaak
Een betrokkene ging in hoger beroep tegen de instelling van een onderbewindstelling en mentorschap. Hij wijzigde en vermeerderde zijn verzoeken na de zitting in hoger beroep, waaronder een subsidiair verzoek om zijn dochter als bewindvoerder en mentor te benoemen. De bewindvoerder en mentor steunde de beslissingen van de kantonrechter.
Beslissing van de rechter
Het hof laat het primaire verzoek tot afwijzing van de inleidende verzoeken wel toe, nu dit al voldoende uit het beroepschrift bleek, maar weigert het subsidiaire verzoek om de dochter als bewindvoerder en mentor te benoemen in behandeling te nemen. De doorslaggevende reden is de twee-conclusieleer: het verzoek had uiterlijk in het beroepschrift moeten worden opgenomen en toelating ervan zou in strijd komen met de eisen van een goede procesorde.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie (twee-conclusieleer) toe op een individuele bewind- en mentorschapszaak zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact blijft beperkt tot de betrokken partijen en vergelijkbare feitelijke situaties.
Belangrijkste punten
- 1De twee-conclusieleer (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959) vereist dat verzoekwijzigingen in hoger beroep in beginsel uiterlijk in het beroepschrift worden opgenomen.
- 2Het primaire verzoek tot afwijzing van de inleidende verzoeken wordt wel toegelaten omdat het al voldoende uit het beroepschrift bleek.
- 3Het subsidiaire verzoek om de dochter tot bewindvoerder en mentor te benoemen wordt buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
- 4De bewindvoerder en mentor heeft op het subsidiaire verzoek niet meer kunnen reageren, wat mede reden is voor niet-toelating.
- 5Het subsidiaire verzoek tot terugverwijzing wegens schending van het hoorrecht wordt als afzonderlijk punt behandeld, maar de beoordeling daarvan ontbreekt in het beschikbare fragment.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de twee-conclusieleer in hoger beroep bij verzoekschriftprocedures, ook in beschermingsmaatregelzaken. Late verzoekwijzigingen zonder bijzondere omstandigheden worden niet toegelaten.
Praktische impact
Betrokkenen en hun advocaten in bewind- en mentorschapszaken moeten alle verzoeken – inclusief subsidiaire verzoeken over de persoon van bewindvoerder of mentor – reeds in het beroepschrift formuleren, op straffe van niet-ontvankelijkheid van die verzoeken.
Onderwerp-impact
In zorggerelateerde beschermingsmaatregel-procedures onderstreept deze uitspraak dat procesrechtelijke regels onverkort gelden, ook als het gaat om kwetsbare personen en familieleden die als bewindvoerder willen optreden.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam stond centraal de vraag in hoeverre een betrokkene zijn verzoeken in hoger beroep nog kon wijzigen en vermeerderen nadat de zitting al had plaatsgevonden. Betrokkene was op 28 augustus 2025 in hoger beroep gekomen tegen beschikkingen van de kantonrechter waarbij een onderbewindstelling en een mentorschap waren ingesteld. Na de zitting van 9 april 2026 breidde hij zijn verzoeken uit met onder meer een subsidiair verzoek om zijn dochter als bewindvoerder en mentor te benoemen. Het hof beoordeelde deze verzoekwijziging aan de hand van de zogenoemde twee-conclusieleer, zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC4959). Die leer bepaalt dat verzoekwijzigingen in hoger beroep in beginsel uiterlijk in het beroepschrift moeten worden opgenomen, zodat de wederpartij en de rechter tijdig kunnen kennisnemen van het gewijzigde verzoek en daarop kunnen reageren. Het hof maakte een onderscheid tussen de verschillende verzoeken. Het primaire verzoek – strekkende tot afwijzing van de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling en mentorschap – werd wél toegelaten, nu dit al voldoende uit het beroepschrift bleek en de advocaat dit ter zitting had bevestigd. Het subsidiaire verzoek om de dochter tot bewindvoerder en mentor te benoemen, werd echter buiten beschouwing gelaten. De bewindvoerder en mentor had hierop niet meer kunnen reageren, er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de strakke regel rechtvaardigden, en toelating zou in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde. Daarnaast verzocht betrokkene subsidiair de zaken terug te verwijzen naar de rechtbank omdat hij stelde niet te zijn gehoord in eerste aanleg. De beoordeling van dat verzoek is in het beschikbare fragment niet volledig weergegeven. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige en volledige formulering van verzoeken in het beroepschrift in beschermingsmaatregelzaken.