Familieleden niet verplicht opgeroepen in bewindszaak hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:2274, Gerechtshof Amsterdam, 18-08-2026, 200.367.821/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)‘Beschermingsbewind (art. 1:431 BW). Wie zijn belanghebbenden als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv.? Kan oproeping van belanghebbenden voor de mondelinge behandeling in hoger beroep achterwege worden gelaten?’
Kern van de zaak
Een rechthebbende in een onderbewindstellingsprocedure verzocht het Gerechtshof Amsterdam om zijn familieleden niet als belanghebbenden op te roepen. Hij had weinig contact met hen en wilde hen niet met de procedure belasten. De zaak betreft de uitleg van artikel 798 lid 2 Rv in zaken van onderbewindstelling.
Beslissing van de rechter
Het hof honoreert het verzoek van de rechthebbende om zijn familieleden niet als belanghebbenden op te roepen voor de behandeling in hoger beroep. Doorslaggevend is de interpretatie van artikel 798 lid 2 Rv, waaruit volgt dat oproeping van familieleden niet verplicht is maar discretionair, mede gelet op de omstandigheden van het geval en het ontbreken van contact met de familieleden.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procesrechtelijke beslissing in een individuele bewindszaak en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel; de discretionaire ruimte van de rechter bij oproeping van belanghebbenden was al impliciet aanwezig in de wet en parlementaire geschiedenis.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 798 lid 2 Rv specificeert wie als belanghebbenden gelden in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap, waaronder echtgenoot, kinderen, en bij gebreke daarvan ouders, broers en zusters.
- 2De bepaling stamt uit de Wet van 7 juli 1994 en beoogt aansluiting bij de praktijk onder de oude artikelen 884 en 894 Rv, waarbij familieleden onder omstandigheden konden deelnemen.
- 3Broers en zusters kunnen als belanghebbenden optreden ook als zij dat niet zouden zijn in de zin van het restrictieve artikel 798 lid 1 Rv, maar dit is niet absoluut verplicht.
- 4In eerste aanleg bij de kantonrechter werden de familieleden in deze zaak ook al niet gehoord; consistentie in hoger beroep weegt mee.
- 5Oproeping van familieleden in hoger beroep kan bij onderbewindstelling tot onwenselijke situaties leiden, bijvoorbeeld bij verbroken familiecontacten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat artikel 798 lid 2 Rv rechters een zekere discretionaire ruimte laat bij het al dan niet oproepen van familieleden als belanghebbenden in bewindszaken, en dat oproeping niet automatisch verplicht is. Dit biedt handvatten voor de praktijk in hoger beroep bij onderbewindstellingsprocedures.
Praktische impact
Rechthebbenden in onderbewindstellingszaken kunnen succesvol verzoeken om familieleden buiten de procedure te houden indien er weinig of geen contact bestaat, wat ongewenste familiedynamieken tijdens de procedure kan voorkomen.
Onderwerp-impact
Voor zorgprocedures rondom kwetsbare personen bevestigt deze uitspraak dat de privacy en persoonlijke omstandigheden van de rechthebbende een rol spelen bij procesrechtelijke beslissingen over wie wordt opgeroepen.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of familieleden van een rechthebbende verplicht moeten worden opgeroepen als belanghebbenden in een hoger beroepsprocedure over onderbewindstelling. De rechthebbende verzocht uitdrukkelijk om zijn familieleden buiten de procedure te houden, omdat hij weinig contact met hen onderhield en hen niet met de procedure wilde belasten. Zijn advocaat benadrukte bovendien dat bij de kantonrechter in eerste aanleg de familieleden evenmin waren gehoord, en dat oproeping in hoger beroep tot onwenselijke situaties kon leiden. Het hof onderzocht de reikwijdte van artikel 798 lid 2 Rv, dat bepaalt wie in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap als belanghebbenden worden aangemerkt. Op grond van de wetsgeschiedenis — de Wet van 7 juli 1994 en de bijbehorende Memorie van Toelichting — stelde het hof vast dat de bepaling is ontworpen om aansluiting te zoeken bij de toenmalige praktijk, waarbij familieleden de mogelijkheid hadden om deel te nemen aan dergelijke procedures zonder dat dit als een absolute plicht gold. Broers en zusters kunnen als belanghebbenden worden aangemerkt, ook als zij dat niet zijn in de strikte zin van artikel 798 lid 1 Rv, maar dit geeft de rechter geen verplichting hen altijd op te roepen. Het hof wees het verzoek van de rechthebbende toe en besloot de familieleden niet op te roepen. De beslissing benadrukt dat de persoonlijke omstandigheden van de rechthebbende — waaronder het ontbreken van familiecontact — een rol spelen bij de procesrechtelijke inrichting van de procedure. De uitspraak heeft beperkte maar praktische betekenis voor gevallen waarin rechthebbenden in bewindszaken de betrokkenheid van vervreemde familieleden willen voorkomen.